Waarom zijn wij anders?

Hoe komt het dat mijn vrouw en ik op het onderwerp “de vrouw en het ambt” zo anders denken dan de grote meerderheid in onze kerken?

1 Wij hebben acht jaar lang in een cultuur geleefd waar deze zaak niet of nauwelijks in de belangstelling stond. In ons werk als kerkplantersechtpaar in Zuid-Oost Azië werkten we veel samen, vooral met Christelijke vrouwen. Onze belangrijkste menselijke schakel tussen onze taal en cultuur en die van onze broeders en zusters was steeds een vrouw. Uiteraard had zij een sleutelpositie en was zij altijd betrokken bij de leiding, de begeleiding, het beleid en de prediking. Een van deze vrouwen hebben we bevestigd als evangeliste. Bovendien waren de diakenen steeds vrouwen. Toch lag het “vetorecht” aangaande de leer bij het kerkplant-team en de ouderling en de ouderling was steeds een man. Als een vrouw een kerkplant leidde of een Bijbelse boodschap bracht stond dit werk, en met name de inhoud ervan, onder de verantwoordelijkheid en dus ook het gezag van deze kleine groep. Zo wilden de vrouwen dat ook. Een keer probeerde een ouderling misbruik te maken van zijn positie om zijn voorstel voor een naam van de kerkgroep door te drukken (Wij zijn toch de ouderlingen? Waarom laat je de vrouwen dan (mee)beslissen?); toen ben ik daar wel tegenin gegaan!

2 Omdat wij (vooral uit praktische overwegingen) niet onder de supervisie of gezag vielen van een kerkverband kwamen we uit bij “The Gospel Coalition“. Ik had al veel geleerd van de theologie van Don Carson en de missiologie van Tim Keller, en door die ervaringen was ik tot de conclusie gekomen dat deze mannen (en later ook John Piper) mensen waren die met groot respect voor het schriftgezag, kennis van de moderne cultuur, en overgave in hun dienst aan God de juiste personen waren om als mentoren te aanvaarden. We voelden ons niet meer ‘gereformeerd’ en toch had ik het idee dat we de essentie van ‘gereformeerd zijn’ steeds meer gingen waarderen.

In Nederland is er ook heel veel waardering voor deze leiders… behalve op twee punten waar zij doelbewust tegenover de omringende godloze cultuur blijven staan in gehoorzaamheid aan Gods Woord. Hoe komt het dat omtrent vrouwelijke ouderlingen en practizerende homo’s de kerken hier deze mannen weigeren te volgen?

3 Doordat ik een aantal keren in vaak vruchteloze discussies verzeild geraakt was had ik geleerd dat veel (of wellicht de meeste) strijdpunten in de kerken te maken hebben met schijnbaar tegenstrijdige leringen die te vinden in (of af te leiden zijn uit) de Bijbel. Ik schreef daarover als ‘een spanningsveld’ en de ‘chiropractische visie’. Voorbeelden zijn: (a) Het christelijk geloof is onze opdracht; het is iets dat “de mens” moet doen, maar toch kan de mens dat niet (zonder dat de Heilige Geest persoonlijk het hart daartoe opent) en moeten we het zien als een geschenk van God. (b) We worden alleen gerechtvaardigd als wij de noodzaak en de werkelijkheid van Christus’ verlossingwerk aan het kruis (in waar geloof) aannemen en niet op basis van onze humanitaire, piëtistische, of charismatische houding of prestaties. Toch worden we niet gerechtvaardigd als het duidelijk is dat liefde voor God en medemens ons leven niet beheersen, want dat zou erop duiden dat er feitelijk geen echt geloof aanwezig is. (c) God heeft alle mensen lief en hij wil dat iedereen het evangelie hoort, en dat ieder die het hoort het aanneemt en daar ook uit leeft. God is almachtig, en alles staat onder zijn bestuur. Toch zijn er veel mensen die Hem de rug toekeren en uiteindelijk veroordeeld worden tot een verschrikkelijke straf. In al deze gevallen gebeurt het dat mensen (uit vooroordeel en/of voorkeur) de nadruk willen leggen op één van beide kanten. De Bijbebelpassages die niet in hun denken passen worden dan vaak genegeerd en buiten spel gezet. Toch is het essentieel dat wij (als kerk en als gelovigen) steeds de Bijbel grondig bestuderen, tekst met tekst vergelijken, en ons uiterste best doen om in het bestaande spanningsveld beide kanten in ere te houden.

4 In de kerkcultuur waar ik opgroeide stond de wet van God behoorlijk centraal. De Tien Geboden werden elke zondag gelezen zodat wij onze ellende maar goed mochten kennen. In mijn jeugd had ik daar grote moeite mee; ik probeerde perfectionist te zijn, maar ik bleef een ellendig mens. Toen ik Gods genade in Jezus’ kruisdood echt besefte, toen ging Jezus bovenop de wet staan. Na enige tijd zat ik me niet meer blind te staren op een lijst met regeltjes (ik weet dat ik niet het juiste beeld had van de wet), maar door Gods Geest wilde ik Hem doen, waar of hoe dan ook. Ik zag de morele situatie niet meer als het goede, afgeschermd van het kwade maar als een morele roos waar ik het hart van wilde raken omdat Jezus mijn hart geraakt. Het was niet meer: “Wat moet ik doen?”, en “Wat mag (echt) niet?” maar “Hoe wil Hij dat ik mijn leven inricht?”, en “What would Jesus (have me) do?”) zie mijn blogpost.

5 Lesslie Newbigin en Timothy Keller, onder anderen, hebben ons eraan herinnerd dat onze missionaire opdracht niet altijd serieus genomen wordt of dat we er niet effectief mee omgaan. De traditionele kerken staan vaak apart van de cultuur van hun samenleving. Dit kan onder het gezang van “Als ik Hem maar kenne” of uit angst voor de slechte en gevallen wereld, of uit het idee dat we nooit een dialoog moeten aangaan omdat wij (en dus niet zij) de Waarheid hebben. Traditionelen leren niet te luisteren hoe ongelovigen denken en waarvoor zij leven. Omdat er geen begrip is kan er ook geen effectieve communicatie zijn. Aan de andere kant zijn er kerken die juist aansluiting zoeken en de (toch zo nodige) confrontatie met anderen willen mijden. Zulke kerken worden steeds meer gevormd door hun godloze cultuur zodat ze het niet langer nodig vinden om discipelen voor Christus te maken van mensen die best wel goed zijn en “god” op hun manier zoeken.

6 Postmodernity. Het valt me op dat de algemene opinie hier lijkt te zijn dat de Bijbel onduidelijk is. Uiteraard zijn er details waarover Christenen, ook na lange gesprekken rond de Bijbel niet uit komen. We moeten oppassen voor het idee dat wij (persoonlijk of als kerkverband) de waarheid in pacht hebben. Dat was vroeger wel vaak het geval, maar net zoals in de samenleving het geval is: we zijn doorgeschoten van ethnocentrisme naar cultureel relativisme. In kerkelijke termen: we zijn in Nederland doorgeschoten van “Wij zijn de ware kerk” naar “Wat is waarheid?” Dat lijkt mij de reden waarom ik weinig of geen reactie krijg op mijn schrijven. Er zijn nog maar weinig mensen die positief lijken te staan voor een theologische speurtocht naar de waarheid, want dat zou kunnen leiden tot meningsverschil en ruzie. Ik hoor en lees heel regelmatig van kerkgenoten die het jammer vinden dat er een Vrijmaking, een Afscheiding, en zelfs een Reformatie is geweest. We zijn onze identiteit kwijt geraakt, we willen geen diepgaande gesprekken over wat de Bijbel zegt en welke interpretatie het meest recht doet aan de Schrift. De Waarheid is in het moderne gezichtspunt nevelig geworden, en daarom ligt de nadruk nu op ‘Liefde’ en ‘Vrede’. Voor velen lijkt het erop dat het Evangelie is: “God is lief en aardig; nu moeten wij ook lief en aardig zijn!” of eigenlijk: “Wij moeten lief en aardig zijn, dus moet God ook zo zijn!”

vervolg: De Verscillende Visie’s over Vrouw en Ambt