De Hermeneutische Noodzaak

Ik accepteer de Bijbel als Gods Woord, geïnspireerd en zonder fouten (in de oorspronkelijke documenten).

Maar dat was niet altijd het geval. Tijdens mijn ‘high school’ jaren legde God beslag op mijn leven, maar het kostte nog heel wat tijd om de Bijbel te accepteren als meer dan een verzameling van fabelachtige verhalen, geschikt voor recitatie bij plechtige gelegenheden.

Ik wist van het bestaan van ‘fanatiekelingen’ die daar een meer krachtdadige visie over hadden.

Hoewel ik opgroeide in een gezin en kerk met deze visie van de Schrift (als fabelverzameling), weerhield dit me er niet van om predikant te worden in de “United Presbyterian Church”.

Ik wist dat God bestond; ik was hem op allerlei manieren tegengekomen, maar niet door de Schrift. Ik had geen idee dat ik iets belangrijks miste.

Pas na mijn ‘high school’ jaren leerde ik intelligente gelovigen kennen die de Bijbel aanvaardden als de enige betrouwbare regel voor leer en leven.

Gedurende enkele jaren worstelde ik met de begrippen ‘gezag’ en ‘inspiratie’ van de Bijbel.

Ik wilde een zelfstudie (‘independent study’) doen over dit onderwerp en dus begon ik met het werken aan de literatuurlijst die ik van mijn professor meekreeg.

Na meerdere literatuurlijsten doorgewerkt te hebben was ik goed bekend met tekstkritiek, tekst-varianten, mondelinge overlevering, het Q-document, de Essenen, vrijzinnigheid, neo-orthodoxy, ontmythologisering, fundamentalisme, het evangelische standpunt, en nog vele anderen.

Door deze uitgebreide studie werd het me duidelijk dat de canonieke Bijbeltekst betrouwbaar is. Uiteindelijk kwam ik tot deze conclusie op grond van een eenvoudige vraag: ‘Jezus vertrouwde op de inspiratie van het Oude Testament, en hij beloofde dat ook het Nieuwe Testament betrouwbaar zou zijn. 04  Hij hield nooit op met het citeren van de Schriften, zelfs niet toen hij aan het kruis hing (Ps. 22). Hij ademde de Schriften; Hij nam ze zo serieus!’

Zou ik dan, als zijn discipel, ook niet dit perspectief van hem over het gezag en de betrouwbaarheid van de Schriften moeten overnemen?’ 05

Dit groeiende besef werd voor mij een revolutionaire gedachte; het zette mijn hele denken op de kop!

Ik heb jullie deze persoonlijke reis verteld om je te verzekeren dat ik elke kans (en een goede motivatie!) had om juist niet de Schrift te aanvaarden als de enige leidraad voor mijn leven. Niemand in mijn gezin en vriendenkring had zoiets gedaan; het was dus voor mij ook niet een visie waar ik als kind mee was opgebracht. De persoonlijke ‘paradigm shift’ bracht enorme consequenties met zich mee. 06 Nu ik ging vertrouwen op Gods Woord als de waarheid, die mij was gegeven om mij te helpen bloeien, ging ik daar niet tegen protesteren maar wilde ik me in mijn keuzes onderwerpen aan de Schrift. Van nu af aan, als mijn natuurlijke keuzes en Gods geboden gingen botsen, dan kreeg Hij de overwinning.

Daardoor werd de studie van de hermeneutiek voor mij een zaak van groot persoonlijk belang. ‘Wat leerde de Bijbel werkelijk over de kernvragen? Was het wel mogelijk om daarachter te komen- of bestond er speelruimte? En als er uiteindelijk speelruimte en vrije keus bleef, was er dan enig nut voor mij?

Het terrein van de hermeneutiek is uitgebreid en niet alles erin is relevant voor ons onderwerp van ‘vrouwen in de kerk’, dus ik wil beginnen met een beknopt overzicht van de beginselen.

In de vorige generatie zijn er veel nieuwe werken verschenen over de ‘wetenschap van de Bijbelse interpretatie’ en zij bieden veel waardevol materiaal. Toch is het zo dat deze boeken uiteindelijk twee grondregels (moeten?) volgen. 07  Voor mij zijn deze twee principes van essentieel belang geweest, vooral op het gebied van M/V rollen, de eredienst, en de conflicten daartussen.

1. De Schrift spreekt zichzelf niet tegen. De Anglicaanse kerk stelt dit op een meer elegante manier van spreken (in de 20ste van haar 39 artiekelen): ‘Zo mag de kerk ook geen tekst uitleggen op een manier waarbij een andere tekst zou worden tegengesproken.’ Daarom moeten we de meer begrijpelijke teksten gebruiken om de minder begrijpelijke teksten uit te leggen.

Hoe zou dat ook anders kunnen, vooral omdat een en dezelfde Geest achter de openbaring, het schrijven, en de keuze van de ontvangers van Gods Woord staat. Ik vind het amusant, maar ook weleens vervelend dat we dit niet allemaal zo ingewikkeld hoeven te maken. Tenslotte, als er een Wezen is die machtig genoeg is om God genoemd te worden – de Schepper en Onderhouder van de hele cosmos!- waarom zou het dan zo moeilijk zijn te geloven dat Hij op authentieke en duidelijke wijze met zijn schepselen zou kunnen en willen communiceren?! 08  Dat lijkt me vrij wat eenvoudiger dan het laten draaien van alle elektronen rond de kernen van miljarden werelden om maar te zwijgen over het verzorgen van de gebroken harten en zielen van zijn kwetsbare schepselen op aarde!

2. Elke tekst moet begrepen worden in de context- historisch, cultureel, en sociaal. Wat was de bedoeling eigenlijk van de schrijver in elk boek, tekstgedeelte, en zin, en wat betekende het voor de eerste lezers/luisteraars? Het gevolg van dit principe is dat we een manier moeten ontdekken om Gods geopenbaarde wil in alles te gehoorzamen- zelfs als onze culturele situatie heel anders is dan de situatie waarin het eerst geopenbaard werd. We moeten logisch blijven denken. God inspireerde mensen om zijn boodschap op te schrijven. Dat houdt dan in dat de Bijbel is geschreven door mensen die menselijke taal gebruikten. Toch –als God niet verandert in zijn voorzienigheid- en Hij zorgde ervoor dat er een Boek tot stand kwam om zijn volk te leiden in alle tijden en plaatsen, 09 dan verandert zijn woord niet met betrekking tot zijn karakter, plan en wil voor zijn schepselen. 10  Als God complete heiligheid, liefde, en genade is, dan gaat Hij vandaag niet opeens iets anders, een “vernieuwde en verbeterde versie” beginnen. Het kan best zijn dat we onze gehoorzaamheid aan zijn wetten op creatieve wijze moeten uitoefenen waarbij we rekening houden met de veranderde omstandigheden waarin we leven, maar dat zal zelden een echt obstakel worden voor echte gehoorzaamheid. God geeft onveranderlijke wetten, maar Hij geeft ook vrijheid om ze in cultureel verschillende manieren te gehoorzamen.

Nu we de hermeneutische grondregels hebben vastgesteld staan we klaar om verder de diepte in te duiken en de “terreurteksten” (zoals feministen ze wel noemen) te bespreken: 11 1 Kor. 14:33b-38 en 1 Tim. 2:11-12.

 

 

Wat 1 Korinte 14:33b – 38 niet kan betekenen

 

Zo is het in alle ​gemeenten​ van de ​heiligen.

34Vrouwen moeten gedurende uw samenkomsten zwijgen. Ze mogen niet spreken, maar moeten ondergeschikt blijven, zoals ook in de wet staat. 35Als ze iets willen leren, moeten ze het thuis aan hun man vragen, want het is een schande voor een vrouw als ze tijdens een samenkomst spreekt.

36Heeft het woord van God zich soms verspreid vanuit uw ​gemeente? Of heeft het enkel u bereikt? 37Wie van u denkt te kunnen profeteren of in het bezit van de Geest te zijn, dient te erkennen dat wat ik u schrijf een bevel van de ​Heer​ is. 38Doet hij dat niet, dan wordt hij zelf niet erkend.

 

Dit Schriftgedeelte kan niet betekenen dat vrouwen op geen enkele wijze mogen spreken in openbare vergaderingen van de kerk. In 1 Korinte 11, dus net drie hoofdstukken eerder, schrijft Paulus: “Iedere ​vrouw​ … die ​bidt​ of profeteert met onbedekt hoofd, onteert haar eigen hoofd.” De bespreking over hoofdbedekkingen, inclusief de verwijzingen naar een vrouw als de eer van haar man, engelen, de schepping en de Drie-eenheid – hoewel vol van betekenis- kan heel gemakkelijk het centrale feit in de schaduw stellen, namelijk dat vrouwen in het openbaar spraken en baden in de Christelijke bijeenkomsten. In deze brief veroordeelt Paulus dus niet de openbare dienst van vrouwen, maar hij geeft er wel regels voor.

Ook onder de profeten waren vrouwen. Op de Pinksterdag zag Petrus de heilige Geest neerkomen op vrouwen net zo goed als op mannen (Hand. 1:14, 2:1-4, 16-18), waarbij hij Joël 2:28-29 citeerde als verklaring voor wat daar gebeurde. “Jullie zonen en dochters zullen profeteren… Zelfs op mijn dienstknechten (M/V) zal ik mijn Geest uitstorten… en zij zullen profeteren.” Verder noemt Lucas dat Philips de Evangelist vier ongetrouwde dochters had die allen profeteerden (Hand. 21:9). 12

Als ik 1 Korinte juist lees, dan lijkt het dat de brief vooral bedoeld was om de praktijken van de geestdriftige gelovigen, die –nu ze de vrijheid van het nieuwe evangelie hadden ervaren- daar verkeerde conclusies aan verbonden en daarmee het doel overschoten. Ze aten vlees dat aan afgoden geofferd was, terwijl ze daarin geen rekening hielden met zwakkere gewetens. Ze hechtten te veel betekenis aan het spreken in tongen. In de huidige situatie kunnen we 1 Kor.11 lezen als een bemoediging om vast te houden aan de goddelijke instelling van specifieke rollen voor mannen en vrouwen, terwijl vrouwen in het openbare leven wel hun geestelijke gaven konden uitoefenen op velerlei gebied. Samenvattend, er zijn in het Nieuwe Testament voorbeelden waar vrouwen geprezen, niet veroordeeld worden voor hun spreken in het openbaar.

Vrouwen profeteren in 1 Kor.11:5 (en merk op dat in 1 Kor.12:28 de gave van profetie hoger wordt gesteld dan de gave van onderwijs), Priscilla en Aquila verduidelijkten het evangelie voor een man (Apollos) in Handelingen 18:26, en in Rom.16:3 noemt Paulus Priscilla een “partner in het werk”, een titel die ook gebruikt werd voor Euodia en Syntyche in Filippenzen 4:3 –zij waren naast Paulus actief betrokken bij het evangelisatiewerk.

Ook in het Oude Testament zijn er voorbeelden van vrouwelijke leiders en profetessen zoals Mirjam, Debora, en Hulda. En, vrouwen moesten de eerste getuigen worden van de opstanding van de Heer: “Ga, en verkondig dit aan de discipelen. (Marcus 16:7).

 

Het is dus wel duidelijk dat vrouwen niet door de Schrift verboden worden om de meeste vormen van openbaar spreken uit te oefenen. Slechts één vorm ervan, namelijk datgene waar 1 Timotheüs 2:11-12 op duidt, ligt buiten het bereik van vrouwen. Daar gaan we straks naar kijken.

 

Wat betekent 1 Korinte 14:33b-38 dan wel?

 

Om te kunnen begrijpen wat hier voorgeschreven wordt moeten we eerst naar het verband kijken. Volgens de hermeneutische regels moeten we eerst de vraag stellen: “Wat betekende dit voor de eerste lezers?”

In sommige Bijbelvertalingen staat er als kopje boven dit Schriftgedeelte, net voor 1 Kor.14:26: “De Goed Geregelde Eredienst”. Paulus schrijft inderdaad aan de kerkelijke gemeente in Korinte hoe ze hun erediensten moeten inrichten. In 1 Kor.14:1-25 heeft hij al gesproken over het juiste doch beperkte gebruik van het spreken in tongen tijdens de openbare eredienst, waarbij hij de nadruk legt op het gebruik van begrijpelijke taal die ongelovigen tot bekering zou kunnen leiden (v. 24, 25). Daarna geeft hij, in 14:26-33 verdere aanwijzingen over de eigenlijke opbouw van de eredienst.

 

De Goed Geregelde Eredienst

 

26Broeders en zusters, wat betekent dit voor uw samenkomsten? Wanneer u samenkomt draagt iedereen wel iets bij: een ​lied, een onderwijzing, een openbaring, een uiting in klanktaal of de uitleg daarvan. Laat alles tot opbouw van de ​gemeente​ zijn. 27Er mogen twee, hoogstens drie van u in klanktaal spreken, ieder op zijn beurt en bovendien met iemand die de uitleg geeft. 28Is er niemand die dit kan, dan moeten ze zwijgen en alleen voor zichzelf tot God spreken. 

29Laat van hen die profeteren er telkens twee of drie spreken; daarna moeten de anderen het beoordelen. 30Wanneer aan iemand die nog op zijn plaats zit iets geopenbaard wordt, moet degene die op dat moment spreekt verder zwijgen. 31U kunt ieder op uw beurt profeteren, zodat ieder van u kan worden onderwezen en bemoedigd. 32En wie profeteert heeft macht over zijn geest, 33want God is niet een God van wanorde maar van ​vrede.

 

Dit overzicht geeft de indruk dat er gelegenheid was voor allerlei bijdragen door de aanwezigen: liederen, bemoedigingen, tongentaal en profetieën. De tongentaal moest wel met een uitleg gepaard gaan, anders zou de boodschap niet begrepen worden en –zoals we weldra zullen zien- niet beoordeeld kunnen worden. Verder mochten er maar twee of drie profetische sprekers de beurt krijgen waarna anderen nauwlettend de boodschappen moeten beoordelen. Daar gaat het om.

Probeer voor te stellen hoe het toeging in de gemeente die deze brief ontving. De kerk van de eerste eeuw organiseerde haar eredienst naar het patroon van de dienst in de Joods synagoge. Net als in de synagoge had de kerk vroeger haar eigen permanente, speciaal opgeleide leiders, terwijl er regelmatig rondreizende rabbi’s bij hen kwamen die dan uitgenodigd werden om te spreken. Dit lijkt bijvoorbeeld het geval te zijn in Mattheus 13:54, Marcus 6:2, en Lucas 4:31-32.  Dit voorval (of soortgelijke voorvallen) is breder uitgewerkt in Lucas 4:14-29. Daar zien we dat “de aanwezigen in de synagoge” verbaasd zijn en dan woedend worden omdat Jezus spreekt vanuit zijn eigen gezag (4:28). Dit houdt verband met het feit dat Jezus zijn onderwijs begon met de verklaring “Amen, amen!”, wat betekent “Vertrouw op mij”, of “Waarachtig, ik verzeker jullie!” of “Dit is de Waarheid!” Waarom maakte dit hen zo kwaad? In de synagogedienst hadden de plaatselijke ouderlingen de taak om het onderwijs van de dag kritisch te evalueren om daarna hun oordeel te geven als: “Dit is Waar; hier staan wij achter!” dan wel: “Dit deugt niet; wij verwerpen het!” De ouderlingen zaten dus vooraan en als het gesproken woord in overeenstemming was met het geschreven Woord, dan was het hun taak om het “Amen, amen!” uit te spreken na de boodschap.

Een van Jezus’ misdaden was dus dat hij (door te beginnen met “Amen, amen!” zelf het oordeel velde dat zijn woorden betrouwbaar waren, nog voordat hij verder iets had gezegd. Hij nam dus de essentiële taak van de ouderlingen (het gesproken woord te beoordelen) weg, en het is dan ook geen wonder dat zij hoogst beledigd waren.  Hun woede leek dan ook gerechtvaardigd en zou dat ook zijn geweest als Jezus niet het vleesgeworden Woord van God, “de Waarheid, zelf” zou zijn.

De vroege kerk nam dezelfde praktijk over van de Joodse synagoge- en om dezelfde redenen. Zonder een eigen, goed opgeleide geestelijke leider en een gezaghebbende samenbundeling van “canonieke geschriften” van Jezus en de apostelen was het mogelijk dat allerlei gasten de gemeente konden toespreken. Afhankelijk van de kracht waarmee zulke sprekers hun boodschap brachten zouden ze dus volgelingen kunnen winnen voor hun eigen interpretatie van het apostolisch onderwijs. Valse leer was het grootste gevaar voor de jonge kerk, en juist daarom was het essentieel dat er een groep ouderlingen was, geselecteerd op grond van volwassen geloof, die de opdracht hadden om te oordelen tussen ware leer en valse leer- niet alleen bij gasten maar ook bij sprekers uit eigen gemeente. Waarschijnlijk werden de ouderlingen ook betaald voor dit werk, want hun functie was zo belangrijk dat ze de nodige tijd en energie moesten kunnen steken in training en studie (1 Tim.5:17-18).

En dat is dan ook de situatie in Korinte, waar profeten en andere sprekers beoordeeld moesten worden (14:29-33a)dat vrouwen gezegd werden dat ze moeten zwijgen (14:33b-38): 13

Zo is het in alle ​gemeenten​ van de ​heiligen.

34Vrouwen moeten gedurende uw samenkomsten zwijgen. Ze mogen niet spreken, maar moeten ondergeschikt blijven, zoals ook in de wet staat. 35Als ze iets willen leren, moeten ze het thuis aan hun man vragen, want het is een schande voor een vrouw als ze tijdens een samenkomst spreekt.

36Heeft het woord van God zich soms verspreid vanuit uw ​gemeente? Of heeft het enkel u bereikt? 37Wie van u denkt te kunnen profeteren of in het bezit van de Geest te zijn, dient te erkennen dat wat ik u schrijf een bevel van de ​Heer​ is. 38Doet hij dat niet, dan wordt hij zelf niet erkend.

 

Hier is het verder van belang dat we de hermeneutische principes “De Schrift verklaart de Schrift” en “Wat duidelijk is, verklaart datgene wat onduidelijk is” toepassen. Er is maar een ander geval waar vrouwen gezegd wordt dat zij moeten zwijgen, namelijk in 1 Timotheüs 2:11-12.

 

11Een vrouw dient zich gehoorzaam en bescheiden te laten onderwijzen; 12ik sta haar dus niet toe dat ze zelf onderwijst of gezag over mannen heeft; ze moet bescheiden zijn.

 

In de (meeste) Nederlandse vertalingen lijkt het erop dat Paulus de vrouwen twee zaken verbiedt: ze mogen niet onderwijzen en ze mogen geen gezag hebben (authentein) over mannen. Onder de theologen is hierover onenigheid, maar ik ben het uiteindelijk eens met de deskundigen die beweren dat het hier om slechts één functie gaat. In dat geval vinden we hier een grammatische constructie die bekend staat als ‘hendiadys’, en Paulus gebruikt die vorm inderdaad vrij regelmatig.

Craig Blomberg schrijft: “Philip Payne heeft aangetoond dat de constructie “oude” (A noch B) die de twee werkwoorden in vers 12 verbindt vaak uitdrukkingen samenvoegt die elkaar in zekere zin nader uitleggen. Paulus wil hier dan ook niet twee aparte zaken verbieden (niet onderwijzen en geen gezag hebben), maar de twee werkwoorden horen bij elkaar en omschrijven een specifieke functie. De context van 1 Tim.2 bevestigt dit. 14

(In het Nederlands wordt deze vorm niet vaak gebruikt, behalve wellicht in de poëzie. “Gras en groen” is zo’n uitdrukking; een begrip wordt hier voorgesteld als een combinatie van twee woorden of uitdrukkingen.)

Hoewel ik me bewust ben van de stromen van inkt die gevloeid hebben over deze vrij onbeduidende constructie moet ik het eens zijn met Blomberg en Hurley. Hurley schrijft over de vraag of ‘onderwijs’ en ‘gezag’ twee verschillende zaken zijn of samengaan, en hij vindt de argumenten voor ‘gezaghebbend onderwijs’ overtuigend. Hij concludeert: “Als onderwijzen en gezag hebben (over een man) gescheiden worden, dan wordt er tekort gedaan aan de grammatica en aan de vrouwen.” 15

Als dat zo is, dan wordt (in 1 Tim. 2, en dan ook in 1 Kor. 14) verboden dat vrouwen “gezaghebbend onderwijzen”- dat is dan een soort onderwijs dat niet gevonden wordt in andere, wel toegestane vormen van openbaar spreken. Omdat dit gekoppeld is aan 1 Kor. 14 en het beoordelen van profetieën en hier (in 1 Tim.3) direct gevolgd wordt door een bespreking van de kwalificaties van ouderlingen, vind ik het niet slechts waarschijnlijk maar onvermijdelijk om te concluderen dat vrouwen tot zwijgen geboden worden in de functie die alleen voor ouderlingen gereserveerd was, d.w.z. voor de mannen die moesten waken over de persoonlijke en gezamenlijke trouw aan de apostolische leer. 16

Zoals je ziet begint en eindigt Paulus deze brief met waarschuwingen tegen de valse leer (1 Tim.1:3-7, 6:3-5, 20-21) en ook in het midden van de brief besteedt hij daar nogal wat aandacht aan (4:1-16). Het was van cruciaal belang voor de vroege kerk (en, ik zou zeggen door de hele kerkgeschiedenis) om zeker te zijn dat de waarheid van het evangelie niet verwaterd zou worden met “heilloze bakerpraat en verzinsels”. Voordat de geschreven canon er was, stond slechts het gezaghebbend oordeel van de ouderlingen tussen de onvervalste apostolische leer en elke uitweiding of vertekening die een spreker daarbij zou willen voegen. Paulus verwijst (in 1 Tim.6:20 en 2 Tim. 1:14) naar datgene dat hem was toevertrouwd, d.w.z. het in-onvervalste-vorm overgeleverde apostolische getuigenis. Judas gebruikt een soortgelijke uitdrukking in vers 3, waar hij schrijft over “het geloof dat voor eens en altijd is overgeleverd” (vergelijk: 1 Kor.11:2, 15:1-3, 2 Tess. 3:6, enz.).

Dit onderwijs wordt ‘gezaghebbend’ genoemd om twee redenen. Ten eerste omdat dit betrekking heeft op het laatste oordeel waarbij het gaat om waarheid tegenover dwaling. Ten tweede omdat het omdat het komt met de dreiging van de tucht, d.w.z. de macht om iemand van de Christengemeente te verbannen als hij onderwijs zou bieden in trotse ongehoorzaamheid aan de erkende apostolische overlevering. 17

De Hermeneutische Noodzaak (vervolgd)