De Hermeneutische Noodzaak (vervolg)

Wat zijn de consequenties voor de rol van vrouwen?

James B. Hurley, in zijn boek “Man and Woman in Biblical Perspective” heeft de zaak zo samengevat:

 

“Als we de conclusie aannemen dat 1 Kor.14:33b-35 duidt op de beoordeling van de profetieën, dan moeten we vervolgens de feitelijke instructies bekijken die Paulus geeft over deze zaak. Hij vond ze niet onbelangrijk. “Alle kerken van God”, zei hij, “waren van gelijke opvatting over deze praktijk (14:33b). We kunnen dit niet toepassen op elke vorm van spreken; het is wel duidelijk dat het hier gaat om de evaluatie van de boodschap van een profeet.” 18

 

Verder:

 

“De tekst staat op geen enkele manier in tegenstelling tot 1 Kor.11, waar er duidelijk vanuit gegaan wordt dat vrouwen bidden en profeteren in de kerk. Ook is het niet in strijd met het onderwijs van hoofdstukken 12-14, dat er vanuit gaat dat verschillende leden van Christus’ lichaam allen meedoen in de gezamenlijke vergaderingen.” 19

 

Als we kijken naar de minder duidelijke tekst van 1 Kor.14 en ons afvragen “Er wordt hier iets verboden; wat is dat dan?”, dan vinden we het antwoord in de duidelijke instructie van 1 Tim.2, namelijk “gezaghebbend onderwijs”. In lezingen (voor een gemengd M/V publiek) over dit onderwerp heb ik soms een illustratie gebruikt waarin ik zei:

 

“Als u aan het eind van deze lezing naar huis gaat en u zegt ‘Dat was het stomste dat ik ooit gehoord heb; ik geloof er geen woord van’, wat is het gevolg voor u? Helemaal niets! Als de ouderlingen u vertellen ‘Jezus is God. Hij stierf en Hij stond op uit de doden voor onze verlossing’, en u zegt dan ‘Dat was het stomste dat ik ooit gehoord heb; ik geloof er geen woord van’, wat is het dan gevolg voor u? Als u lid zou willen worden zal het lidmaatschap geweigerd worden en als u al lid was, dan zal de procedure van kerkelijke tucht begonnen worden. Ze zullen u vermanen en men zal u proberen te overtuigen dat u van gedachten moet veranderen. U kunt van het Heilig Avondmaal gehouden worden, en als dat geen verschil maakt dan wordt u uiteindelijk afgesneden, zodat u niet door kunt gaan in de waan dat u toch bij het lichaam van Christus hoort.”

 

Er is een essentieel verschil tussen publieke overdracht van informatie, uitleg, en vermaningen (die toegestaan zijn voor alle belijdende mannen en vrouwen) en het gezaghebbend onderwijs naar Gods Woord dat de unieke verantwoordelijkheid is van de geïnstalleerde ouderlingen. 20  In onze kerk vatten we dit samen: “Alles wat een niet-geïnstalleerde man mag doen in de kerk, dat mag een vrouw ook doen.” 21

Om terug te komen op de twee meest urgente (en benadrukte) vragen i.v.m. deze discussie, zoals ik die in het begin al noemde:

1          Moeten we iets dat zo lang geleden gezegd is nu nog gehoorzamen of zelfs in             overweging nemen, terwijl tijden en plaatsen nu zo anders zijn? En:

2          Waarom heeft God de zaken op deze manier voorgeschreven met specifieke M/V       taakverdeling?

Mijn antwoorden -in het kort- zijn: ‘Ja’ en ‘Ik weet het niet’. Ik zal in het tweede gedeelte –over mijn persoonlijke ervaringen- toch een verklaring voor het tweede punt proberen te geven.

Tenslotte, ook al ken ik Gods redenen niet voor specifieke M/V rollen of taken in de kerk, toch is het geen slechte, kwetsende, of onderdrukkende zaak. Maar, laat ik eerst het antwoord op de eerste vraag toelichten.

Moeten we gehoorzamen?

Waarom moeten we gehoorzamen of ons zelfs maar druk maken om iets dat zo lang geleden gezegd werd –in een cultuur die toch zo anders was als waarin we nu leven?

Voor bijna een halve eeuw heb ik me met deze vraag beziggehouden, en elke tien jaar veranderen de antwoorden waarom we geen aandacht moeten geven aan de zgn. zwijgteksten (en elke andere tekst die erop wijst dat er twee sporen M/V van dienstbaarheid in de kerk moeten zijn) en ze zeker niet hoeven te gehoorzamen.

In 1970, toen ik ‘onder zorg’ (d.w.z. in een begeleidingstraject voor kandidaten) was bij de “Pittsburgh Presbytery”, was het de gewoonte om elke kandidaat te koppelen aan een van de permanente commissies van de presbytery. Hoewel (of, wellicht omdat!) ik net afgestroomd was van het traject van ouderling naar het traject van kerkelijke werker, werd ik geplaatst bij de taskforce met betrekking tot de kerkelijke bevestiging van vrouwelijke predikanten, een zaak die toen nog in felle discussie stond binnen de UPUSA. Eigenlijk vond ik dat prima, want zodoende kreeg ik een uitstekende gelegenheid om mijn nieuwe –en zo ik dacht, geldige- interpretatie van de Schrift te toetsen. Als ik een fout gemaakt had in mijn exegese of interpretatie, dan wilde ik die nu graag weten, en als er ergens steekhoudende tegenargumenten bestonden, dan zou ik die hier zeker te horen krijgen. Mijn houding, hoewel ik dat toen niet zo zou kunnen verwoorden was die van: “Oké, geef me je beste schot!”

Tot mijn teleurstelling en verbazing bleek “het beste schot” een zwakke cirkelredenering voor elke tekst van Paulus die suggereerde dat vrouwen niet geïnstalleerd mogen worden of verder anders dan mannen moeten functioneren in de kerk. Het vooroordeel bleek te zijn: “We weten al dat onze visie juist is, dus dan kan een tekst die het tegendeel lijkt te beweren niet geldig zijn voor ons in onze tijd. Er werd gezegd dat Paulus waarschijnlijk niet de echte schrijver was van de eerste brief aan Timotheüs en dat een latere schrijver hoofdstuk 14 had ingevoegd in de eerste Korinte brief.  Het gesprek liep meestal zo: “We weten al wat we geloven, dus breng geen onrust of verwarring door feiten op tafel te leggen.” Ik was niet onder de indruk!

Terwijl de jaren en decennia voorbij rolden hebben nieuwere argumenten tegen de zwijgteksten de eerdere simplistische argumenten vervangen. Onder de meer populaire theorieën waren:

1 Paulus onderwees inderdaad deze ‘verschrikkelijke leer’, maar hij was dan ook een vrouwenhater. Daarom doen we er goed aan om deze teksten te negeren.

2 Paulus onderwees inderdaad deze ‘verschrikkelijke leer’, maar die had alleen betrekking op bepaalde kerken waar problemen bestonden met losbandige vrouwen. Omdat dat bij ons geen probleem is hoeven we ons daar vandaag dus niet druk over te maken.

3 Paulus onderwees precies wat hier lijkt te staan, maar de culturele situatie is tegenwoordig zo veranderd dat we dit gedeelte niet langer hoeven of moeten gehoorzamen.

Ik wil deze opvattingen een voor een bespreken.

 

1 De aanklacht tegen Paulus als vrouwenhater

Deze aanklacht vindt geen steun, zelfs bij een oppervlakkig lezen van het NT. Paulus werkte samen met vrouwen, zij hielpen hem bij het bezorgen van zijn brieven, hij plantte gemeenten in hun huizen, en hij verwachtte dat zij zich volledig zouden inzetten in de kerk met hun gaven van de geest.

Helaas nemen veel mensen niet de tijd om zelfs een oppervlakkige studie te maken over Paulus’ woorden en daden, en daardoor blijft deze aanklacht –die zo gemakkelijk te weerleggen is- voort onder de minder-belezen kerkmensen. 22

2 De toepassing is beperkt tot de kerk in Paulus’ tijd.

Meer hardnekkig is de verklaring dat de eerste brief aan Timotheüs alleen geschreven was aan de kerk in Efeze, waar de Dianacultus voor lange tijd bestond. Vrouwen, die gewend waren aan godinnen en priesteressen kwamen in de kerk met een opgeblazen visie van hun status, en daardoor veroorzaakten ze problemen binnen de gemeente. Paulus schreef zijn woorden (in de eerste brief aan Timotheüs) slechts voor die bepaalde situatie en daarom zijn ze niet van toepassing op de kerk vandaag.

Er zijn twee onoverkomelijke bezwaren voor deze visie.

Eerst, alles wat Paulus (of elke andere Bijbelschrijver) schreef was gericht aan een specifieke groep mensen met een specifieke situatie. Er staat inderdaad niets in de Bijbel dat uitdrukkelijk geadresseerd is aan ‘de kerk van alle tijden, plaatsen, en culturen.” Toch werd er bij het samenstellen van de canon aangenomen dat Gods geopenbaarde waarheid toepasbaar is voor de kerk van alle tijden, omdat God zelf onveranderlijk, alwetend, en almachtig is. Daarom is Hij ook in staat om zichzelf en zijn wil bekend te maken –op zijn tijd en door de mensen die hij had voorbereid om zijn woorden over te brengen.

De tweede moeite wordt duidelijk wanneer je aandachtig de eerste brief aan Timotheüs leest. Als er ooit een brief van Paulus is geweest waarvan gezegd zou kunnen worden dat hij geadresseerd was aan ‘de kerk in het algemeen; waar en wanneer dan ook’, dan zou het deze brief zijn. In 1 Tim.3:14-15 schrijft Paulus: “Hoewel ik binnenkort bij jullie hoop te komen, schrijf ik jullie deze instructies nu, zodat in het geval dat ik verhinderd ben, je zult weten hoe mensen zich behoren te gedragen in de familie van God; de kerk van de levende God, de pilaar en het fundament van de waarheid”. Deze stelling volgt direct op Paulus’ uiteenzetting van de criteria voor de verkiezing en benoeming van de ambtsdragers.

Behalve een paar persoonlijke instructies voor Timotheüs over zijn gezondheid en dienst, kan de hele brief beschouwd worden als een handleiding voor het planten van kerken: Hoe zet je een kerk op als een degelijke organisatie, ingericht volgens de principes van Gods geloofsfamilie. Voorheen waren er duidelijke verschillen tussen huiskerken in verschillende streken en plaatsen. Paulus legt uit aan Timotheüs wat “hij beschouwde als normatief buiten de directe situatie.” 23

Onder alle geschriften van het NT is deze brief wel het minst open voor de interpretatie dat het geschreven was slechts voor een specifieke situatie en dat het alleen daar toepasbaar zou zijn. Integendeel, we moeten deze brief zien als een model voor alle kerken van alle tijden en plaatsen.

Het is interessant te zien dat 1 Kor.14 een eigen “ingebouwde generaliteitsclausule” heeft. In 14:33b begint Paulus met de opmerking dat de volgende instructies opgevolgd moeten worden “in alle gemeenten der heiligen”. Na deze instructies die –zoals aangetoond- betrekking hadden op het veiligstellen van de ware leer door de ouderlingen, schrijft hij: “Kwam Gods Woord oorspronkelijk van u? Of, bent u de enigen die het bereikt heeft? Als er iemand is die denkt dat hij een profeet is of geestelijke gaven bezit, laat hem dan erkennen dat wat ik schrijf Gods opdracht is.” (14:36-37)

Het is duidelijk dat Paulus eerder al weerstand had ervaren tegen deze verordening, en hij maakt het duidelijk dat deze niet openstaat voor een andere interpretatie. Hij wijst erop dat het ook niet zijn eigen interpretatie is, maar ‘het bevel van de Heer’. Het ligt hier dus anders dan bij sommige plaatsen in 1 Korinte waar hij persoonlijke opdrachten geeft, als apostel, zoals in 1 Kor.11:1,16. Het is ook anders dan plaatsen waar hij onderscheid maakt tussen een voorschrift van de Heer (7:10) enerzijds en een van zijn eigen voorschriften (7:12) anderzijds.

Als we accepteren dat de hele Schrift geïnspireerd is door God (1 Tim.3:16), dan zullen we niet de fout maken van een rode-letter-Bijbel, waar de suggestie gemaakt wordt dat de woorden van Jezus’ mond meer gezag hebben dan de woorden die de Heilige Geest aan de apostelen gaf.

Toch is het interessant om de tekst van 1 Kor.14 te onderzoeken voor bewijsgrond voor een soort culturele einddatum voor ‘geldigheid’ (zoals je die op kruidenierswaren aantreft), die dan gekoppeld is aan een gezegde van Jezus zelf (ook als dat niet in het NT beschreven staat; Johannes geeft aan dat zoiets best mogelijk kan zijn (Joh.21:25).

Als ik met mensen spreek die deze tekst als irrelevant te brandmerken, dan vraag ik: “Zijn er nog andere geboden van de Heer waarover jij bereid bent je oordeel te vellen?” Er staat hier wel degelijk iets dat serieus gehoorzaamd moet worden, en we moeten een manier vinden waarop we dit dan doen in onze huidige cultuur.

3 Niet meer geldende geboden?

Maar, wacht eens even! Moeten we nu echt dit ‘gebod van de Heer’ gehoorzamen?

De meest recente poging om deze teksten te omzeilen leert dat het door de culturele verschuivingen van de laatste twee honderd jaar het nu onmogelijk is om de dingen te doen op de manier dat ze in het (verre) verleden werden gedaan. Het zou in feite verkeerd zijn in het kader van het zendingsbevel om vast te blijven houden aan sommige ouderwetse geboden en richtlijnen (ook) in het NT. Kort samengevat; dit is het “Dat was toen; dit is nu” argument.

Een goed voorbeeld van deze gedachtegang vinden we in William Webb zijn boek “Slaves, women, and homosexuals”. 24  Ik zal proberen het hier samen te vatten.

We dachten altijd dat de Bijbel slavernij goedkeurde, en dat was ook zo. Maar God heeft ons meer licht gegeven, en daardoor beseften we dat onder deze goedkeuring van de slavernij een groter en mooier plan lag. Daarom geloven we dat ook niet meer.

Op dezelfde manier dachten we dat de Bijbel een patriarchale, seksistische opvatting had over man en vrouw en hun rol in huis, kerk, en samenleving, en zo was het ook. Maar God heeft ons meer licht gegeven, en nu kunnen we opmerken dat de huidige culturele factoren aangesproken moeten worden met meer fundamentele beginselen van de Schrift.

Zodoende kunnen we de geboden die cultureel onbehoorlijk of aanstootgevend zijn verwerpen om juist de meer fundamentele geboden te gehoorzamen die door de hele tekst begraven liggen.

Webb heeft een gecompliceerd stelsel ontworpen waarbij ze steeds onderscheid moeten maken tussen geboden die we kunnen verwerpen en anderen die we moeten onderhouden. Dit systeem is te complex om dat uit te leggen hier. 25  Ook is het in het kader van dit boek niet zinvol om hier een uitgebreide en systematische boekbespreking te geven. Ik wil alleen maar aangeven dat hier, alsook in andere publicaties een “Dat was toen; dit is nu” standpunt wordt ingenomen, waarbij twee fundamentele hermeneutische fouten gemaakt worden.

 

De eerste is een ernstige fout waarbij OT teksten en verhalen beschouwd worden als didactisch (lerend), terwijl ze slechts beschrijvend zijn. Seksistisch en onderdrukkend gedrag van mannen en culturen worden weliswaar beschreven in het OT, maar die worden niet vermeld als voorschriften. Als we lezen dat Abraham, Jacob, of David meerdere vrouwen hadden, dan wil dat niet zeggen dat dit Gods bedoeling was net zomin als wanneer het dagblad Trouw een moord beschrijft dit zou betekenen dat de redactie van het blad dit goedkeurt. Door de hele verbondsgeschiedenis is het Gods bedoeling om zijn schepping te herstellen als zijn Koninkrijk. Het verslag van dit verlossend werk omvat ook levendige beschrijvingen die tonen waarom en hoe we Gods herstel nodig hebben. (Is er bijvoorbeeld maar één voorbeeld van polygamie in de Bijbel zonder slechte vruchten? Denk aan Sara en Hager, Rachel en Lea, Elkana, David, of de vrouwen van Salomo!). Zo is het ook met de slavernij. Het OT gaf regels voor de slavernij om het meer menselijk en menslievend te maken.

In die tijd was slavernij vaak een vorm van –vaak vrijwillige- dienstbaarheid, waarbij berooiden een kans kregen op een nieuw leven en niet een racistische diefstal van mensen voor eigen verrijking zoals de handel in Afrikanen in de zuidelijke VS.  26

Uiteraard is slavernij zelden ideaal en ik hoor dus ook regelmatig het verwijt “Waarom maakte God niet gewoon een eind aan polygamie en slavernij als die zo slecht waren?” Maar, weeg je dan je dan wel Gods prioriteiten af tegenover je eigen prioriteiten? De misbruiken werden, op Gods tijd, verworpen door het doorgaande werk van God (zoals we zien in het NT) in de corrupte wereld, maar eerst moest God een aantal dingen vastleggen die meer fundamenteel waren:

  • Ik ben een heilige God; naast mij bestaan geen andere goden.
  • Het is jullie niet gelukt te zijn waartoe ik je gemaakt heb. De wereld heeft herstel nodig.
  • Enzovoorts…

 

De tweede hermeneutische fout kunnen we zien als “de fout van logica”. Denk eens aan al de drukte waarbij we onze cultuur op dit moment van de geschiedenis gebruiken als toetssteen voor de beoordeling van Gods openbaring. Christenen in niet-westerse samenlevingen hebben geen probleem met de zgn. “terreurteksten”. Zij hebben wellicht moeite met de instructie van “de andere wang toekeren” of “Heb lief wie jullie haten”; die instructies lijken niet toepasbaar te zijn in regio’s waar verschrikkelijk geweld een dagelijkse realiteit is.

Een laatste poging tot ontsnapping

Van alle pogingen om weg te doen met de zwijgteksten heb ik de minste waardering voor wat meest gangbaar is vandaag de dag. Ik kom dit standpunt tegen in theologische opleidingen onder studenten en professoren, maar ook onder predikanten, ouderlingen, en kerkleden.

De gedachte loopt zo: Er zijn experts aan beide zijden van deze kwestie. Als die het al niet eens kunnen worden, wie zijn wij dan om hier een oordeel over te geven? Omdat deze kwestie zo ingewikkeld en verwarrend is moeten we toch in liefde en gerechtigheid het juiste doen en begaafde vrouwen (die zich daartoe geroepen voelen) toch maar accepteren en bevestigen als lerende of regerende ouderlingen? 27

Wie kan er nu toch tegen zo’n liefdadige houding zijn?

Toch loeren ook achter deze gevoelens twee verkeerde veronderstellingen.

Ten eerste ligt hier de populaire postmoderne overtuiging dat er niet zoiets bestaat als ‘waarheid’. Maar, redeneringen en argumenten zijn altijd de kern geweest in filosofisch onderzoek en ook in theologische zaken. De grote concilies n synodes die de Bijbelse canon en belijdenisgeschriften opstelden stonden altijd bekend om hun levendig debat. (Het ging daarbij niet om ‘gelijk te krijgen’, maar om samen te worstelen met het Woord van God om zo tot een beter begrip te komen dat recht zou doen aan alle relevante teksten.) Als je openstaat voor andere gezichtspunten wil dat toch niet zeggen dat je open moet blijven staan voor allerlei ‘wind van leer’? Als na degelijke Bijbelstudie de beste keus gemaakt is, dan wordt die erkenden aangenomen in een houding van nederigheid en de bereidheid om de zaak opnieuw te bekijken als zich nieuwe en betere inzichten voordoen.

Maar, totdat zoiets het geval is en een eerdere beslissing bewezen wordt verkeerd te zijn of verkeerd begrepen te zijn, hebben we rationele geesten nodig om tot een conclusiete komen om vervolgens daar dan uit te leven. 28

 

De tweede veronderstelling is dat de Bijbel een onduidelijke en verwarrende boodschap aandraagt over het onderwerp van goddelijk beschikte M/V rollen in de kerk. Volgens mij, en zoals ik dat heb aangetoond, is dat niet terecht. Ik hoop vervolgens ook aan te tonen dat deze rollen –net als alle andere gaven van God- in dank en vreugde aangenomen moeten worden, en niet met tegenzin of omdat dat nu eenmaal zo moet.

Eerder heb ik de vraag gesteld: ”Waarom wil God verschillende rollen voor mannen en vrouwen?” Uiteindelijk kan ik hier geen antwoord op geven. Ik kan er wel redenen voor bedenken, maar dat leidt gemakkelijk tot fouten. Ik wil een oude kerkvader volgen die zei: “Waar God zijn heilige mond gesloten heeft, durf ik mijn mond niet open te trekken.”

Ik heb het vrij zinloos gevonden om Gods plannen –die voor mij te wonderlijk zijn- te bekritiseren; dit leidt alleen maar tot zelfmedelijden en boosheid in mijn eigen leven. Het is beter om mij vol vertrouwen neer te leggen bij zijn goedheid. Daar kom ik later nog op terug.

Samenvatting

Vrouwen worden aangemoedigd om actief te dienen in het leven van de kerk: in woord en in daad. Ze mogen bijdragen in woord en daad: in onderwijs, vermaning, en bemoediging- maar niet in het ambt van ouderling (of soortgelijke gezaghebbende functies), 29  waar het gaat om de beoordeling of het onderwijs wel in overeenstemming is met de apostolisch leer, de waarheid, het Woord van God. De verzen die deze M/V verschillen opleggen worden gegeven met hun eigen ingebouwde bescherming tegen kritiek dat ze slechts geldig zijn voor bepaalde tijden of situaties. Het Woord dat ons de waarheid leert geldt voor ons vandaag net zo goed als voor de oorspronkelijke lezers.

Het is dus iets dat als gebod wordt gegeven aan de kerk, en het is onze taak om dat te gehoorzamen. God laat ons niet de keus om het te negeren of, in wanhoop over de onduidelijkheid, naast ons neer te leggen.

deel twee: Mijn Persoonlijke Speurtocht