Mijn Persoonlijke Speurtocht

 

Ik wil het tweede deel wijden aan persoonlijke zaken die betrekking hebben op het accepteren en toepassen van bovengenoemde punten.

Stel je voor dat een man of vrouw overtuigd zou zijn dat wat ik hier beredeneerd en beweerd heb inderdaad overeenkomt met wat Gods Woord ons leert, en dat dit daarom ook gehoorzaamd dient te worden. Hoe zou dit dan gedaan kunnen worden met vreugde en niet met tegenzin of gemopper (want alle gehoorzaamheid die niet in vreugde en dankbaarheid gebeurt, is zonde tegenover de grote liefde van God)?

Vervolgens, hoe kunnen we deze geboden gehoorzamen op manieren die begrijpelijk zijn voor mensen in hedendaagse culturen (meervoud, want te wereldwijde kerk is te vinden in vele volken en culturen)?

Onder mensen die vanuit een egalitaire of feministische positie schrijven beginnen velen met een verhaal over hun persoonlijke ervaringen. In zekere zin heb ik dit ook al gedaan. Zo’n persoonlijk verhaal maakt het vaak meer interessant voor de lezer die moeite zou hebben met een ‘droge theologische studie’. 30  Toch is dat niet mijn eerste reden voor het delen van mijn persoonlijke speurtocht.

Aan het begin zei ik al dat er twee pastorale kanten aan de orde moeten komen wanneer het gaat over het complementaire perspectief. In het eerste deel hebben we ons al bezig gehouden met de hermeneutische zaken met betrekking tot de meest relevante Schriftgedeelten. Nu wil ik schrijven over de persoonlijke pijn die vrouwen vaak geleden hebben als gevolg van een gebrekkig begrip van de relevante Schriftgedeelten en de obstakels die zulke ervaringen scheppen voor het accepteren van een complementarisch begrip van de Schrift. Veel vrouwen, maar ook mannen, zijn slachtoffer geworden van buiten-Bijbelse tradities die voortkwamen uit een Christelijke subcultuur die de gaven van de vrouwen in de kerk niet serieus namen. Het schandalige feit is dat in veel kerken de Schriften uitgelegd zijn op een manier die moest voorkomen dat vrouwen hun gaven van de Geest in leiderschap, onderwijs, vermaning, en bemoediging zouden gebruiken in de kerk.  Hiermee werd de halve kerk op non-actief gesteld en bovendien werkte het min of meer als een amputatie voor het Lichaam van Christus, de kerk. Een geamputeerd lichaam is een geschonden lichaam, en veel vrouwen zijn ernstig gewond geraakt doordat hen verteld werd dat hun gaven (van de Geest) ongewenst of niet toegestaan waren, of dat ze niet eens bestonden. Daarom moeten we er ook niet van opkijken als we vaak het verwijt te horen krijgen: “Dit is een zaak van ‘recht doen’, van gerechtigheid.”. Ik heb deze roep gehoord van vrouwen in een rustig gesprek, en van vrouwen die moesten huilen. Ik heb het in Bijbelstudiegroepen en kringen gehoord, maar het is mij ook toegeschreeuwd in grotere gezelschappen. Hoewel ik de frustratie begrijp die aan dit gevoel ten grondslag ligt, is het toch mijn taak geweest om ergens in ons gesprek uit te leggen dat het niet in de eerste plaats een zaak van gerechtigheid is, maar allereerst een theologische zaak. “Wat zei God? Waarom moeten wij gehoorzamen? Hoe kunnen wij dit doen?” Ik begrijp hun verdriet en verwarring, en het is gemakkelijk om met zulke mensen mee te voelen omdat ze op oneerlijke (en on-Bijbelse) manier behandeld zijn door de kerk die zij liefhadden.

En toch…

Het is nog maar kortgeleden dat ik over dit onderwerp sprak op ‘mijn seminarie’: Gordon Conwell Theological Seminary. Tijdens de Q&A stond een vrouw op die huilend zei: “Dit is mijn leven! Dit is niet alleen maar een theologische discussie; dit is een zaak van gerechtigheid”! Ik herinner me niet meer de exacte woorden die ik haar als antwoord gaf; ik hoop dat ze meer genade vertoonden dan wat ik toen dacht, namelijk: “Schat, je studeert aan een seminarie! Dan moet jij toch zeker begrijpen dat dit in de eerste plaats een theologisch-hermeneutische kwestie is, en dat jouw leven in betekenis alleen maar toeneemt als jij je richt naar de wil van God en niet naar de dingen die jij graag wilt! Beheers je!”

Die gedachten pleiten niet voor me, en ik heb ermee geworsteld hoe ik kan uitleggen dat het hier niet gaat om een zaak van “recht doen” zoals bij ongelijke betaling voor gelijke diensten wel het geval is. De kwestie van kerkelijke bevestiging van vrouwen is niet een zaak van recht, maar als we hen niet serieus nemen is dat wel een zaak van onrecht.

We moeten het dus wel hebben over een onrecht, 31 en Bijbelse praktijken moeten hersteld worden in de wijze waarop de gaven van vrouwen wel of niet gebruikt worden in kerken met complementaire of meer strikte standpunten. Regelmatig schaam ik me hoe sommigen het woord “complementair” gebruiken om vervolgens verder dan de Schrift te gaan door bijvoorbeeld de maximale leeftijd van jongens vast te stellen waarna vrouwen hen niet langer zondagsschool of catechisatie mogen geven, of bij de vraag of een vrouwelijke groepsleider een mannelijke co-leider nodig heeft als het om een gemengde groep gaat, enzovoorts.

Ik weet niet of zulke buiten-Bijbelse regelmakerij voortkomt uit een theologische angst voor de dominotheorie (in de zin van: Als je ze nu kerkbladdjes laat uitdelen, 32 dan willen ze later op de preekstoel staan!), of uit een Christelijke variant van de Orthodox-Joodse praktijk van halakkah, 33 waar tradities en gewoonten zo streng worden gehandhaafd alsof ze door God zelf geëist waren om zo toch maar een veiligheidsmarge aan te houden ter vermijding van verleiding. Wat de oorsprong ook maar is, deze on-Bijbelse grenzen vallen onder Jezus’ oordeel over het handhaven van “menselijke tradities’ in plaats van Gods geboden (Marcus 7:8).

Ik kan dit onderwerp niet verlaten zonder te kijken naar de manier waarop we onrecht aan en buitensluiting van vrouwen kunnen en moeten benaderen. Als het gaat over het “kunnen” benaderen dan hebben we wel bereidwillige luisteraars nodig. Ontelbare keren ben ik gevraagd om mijn overtuiging aangaande deze zaak opnieuw te overwegen. Soms vraagt de persoon dit met tranen in de ogen en andere keren in echte boosheid, maar ik ben altijd bereid geweest. Ik heb er geen baat bij om het bij het verkeerde eind te hebben. Ik heb er geen behoefte aan misleid te zijn of om anderen te misleiden. Dus ben ik steeds bereid om alle gegevens weer eens op een rijtje te zetten.

Om de zaak voor het egalitarisme (en mensen die dit voorstaan) goed te begrijpen moeten mensen die het daarmee oneens zijn overtuigende, Bijbelse argumenten geven voor hun eigen stellingname. Terwijl we hiermee bezig zijn hoop ik dat we afstand kunnen doen van zoveel reacties over “de plaats van de vrouw” die slechts cultureel en traditioneel zijn om ze te vervangen met echt-Bijbels inzicht.

Vervolgens moeten mannen in machtsposities die begrijpen dat vrouwen zoveel mogelijk behoren mee te draaien in kerkelijke diensten (behalve waar het om authentein gaat) metterdaad de ruimte hiervoor scheppen in hun kerkelijke gemeentes, waar dat Bijbels passend is. Wellicht zullen ze daarover aangesproken worden door sommigen die vrouwen in zichtbare diensten een bewijs van liberalisme zien (terwijl ik het juist zie als een meer krachtdadige toepassing van de apostolische leer). Omdat het vermijden van kritiek geen geldig excuus is voor ongehoorzaamheid, zou ik hopen dat er meer mensen de Bijbels-legitieme rol van vrouwen zullen verdedigen en dat die elkaar aanmoedigen om niet-Bijbels gefundeerde bezwaren naast zich neer te leggen.

In het begin van ons Redeemer kerkplantingsproject werd ons duidelijk dat het rechtzetten van traditionele, doch niet-Bijbels gefundeerde praktijken ons niet populair zou maken (in de gevestigde kerken). Bijbelse geboden moeten uiteraard gehoorzaamd worden, maar gewoontes uit de (sub)cultuur die niet voorgeschreven zijn in de Schrift vinden geen plaats in onze structuur en visie van leiderschap.

Ik ben me er goed van bewust dat in de stad New York (of elk ander milieu met betrekkelijk hoog opleidingsniveau en secularisatie) we persé geen praktijk of beleid kunnen aanhouden tenzij deze verdedigd kan worden vanuit de Bijbel. Als we dus geen vrouwen bevestigen als (regerende of lerende) ouderlingen, dan moeten we er wel voor zorgen dat alle wel-toegestane functies zoveel mogelijk door mannen en vrouwen uitgevoerd worden. Terwijl we de positie houden dat op grond van de Bijbel vrouwen geen gezaghebbend onderwijs mogen uitoefenen is het dus vooral belangrijk vrouwen juist wel toe te laten in de andere functies.

Ik heb dus sympathie, en ik heb ideeën aangedragen voor het beëindigen van het weren van vrouwen uit rollen waar zij (wel) mogen dienen. Maar daarmee blijft de vraag staan: “Waarom moeten wij dan toch nog geweerd worden van bepaalde rollen? Zijn onze gaven dan onvoldoende? Heeft de Heilige Geest die gaven ons dan niet gegeven? En, als ik dan toch een roeping ervaar om te dienen in de rol van herder en/of leraar?”

Mijn eerste antwoord (Ik geef toe dat het klinkt als een dooddoener!) is dat God het recht heeft om te zaken in te richten op de manier die het beste passen bij zijn plan. Ik ga dat zo meteen verder uitwerken.

Vervolgens moet ik antwoorden dat gaven niet hetzelfde zijn als rollen. Wij allen, mannen en vrouwen, worden aangemoedigd, en zelfs bevolen om onze gaven in te zetten voor de dienst van de kerk. Waarom zouden wij het noodzakelijk vinden om eerst een specifieke titel of functie te bemachtigen voordat we dit (inzetten van onze gaven) daadwerkelijk doen?

In een onvergetelijk college van Elisabeth Elliott, een van mijn professoren aan OLTS, leerde ze mij onderscheid te maken tussen gaven en rollen waarin deze gaven gebruikt zouden kunnen worden. Ze verkondigde aan haar klas van mannen en vrouwen dat zij betere gaven had voor de verkondiging van het Woord dan de meeste mannen in de klas en wellicht in de hele school. Ze kende de Bijbel in verschillende talen, ze had uitgebreide ervaring in Schriftuitleg, en door haar lijden had ze wijsheid ontvangen om met geduld en compassie met anderen te spreken, enzovoorts. “Toch”, voegde zij daaraan toe, “heeft God me niet geroepen deze gaven te gebruiken in de rol van ‘herder en leraar’. Ik ben wel geroepen deze gaven te gebruiken, maar waarom zouden zij pas waardevol zijn in één specifieke rol, namelijk die van bevestigde ouderling?”

 

De moeite met het uitoefenen van iemand zijn gaven in een rol die niet bevestigd is geldt trouwens voor mannen net zo goed als voor vrouwen. Niet alle mannen streven naar de mannenrol die hen gegeven is. Het wordt steeds moeilijker voor mannen om leiderschap te accepteren in kerk en huisgezin. Het nemen van risico’s en het vaststellen van grenzen zijn niet aantrekkelijke zaken voor alle mannen. 34

Hier komen we bij Jezus. Hij is de reden dat wij op Gods gerechtigheid kunnen vertrouwen in de rol die hij jou heeft toebedeeld, of je nu een man bent die liever geen leiderschap of risico’s aanvaardt of een vrouw die dat juist zo graag zou doen. In zekere zin krijgen beiden de Jezus-rol toebedeeld. We hebben mannen en vrouwen nodig om hun rollen uit te oefenen in de veiligheid van kerk en huisgezin, om zo de volheid van Jezus te laten zien aan de wereld om ons heen.

Het wondermooie van specifieke M/V rollen is voor mij dat iedereen een aspect van Jezus’ leven mag vertonen. Jezus, die in zijn positie als ‘dienstknecht’ stierf om zo zijn Bruid tot vlekkeloze schoonheid te brengen (Efeze 5:22-33), heeft ‘gezag’ en autoriteit’ een nieuwe invulling gegeven en hij heeft zijn volgelingen opgedragen hetzelfde te doen! (Matt.23:11; Joh.13:13-17)

Jezus neemt in gehoorzaamheid de rol van dienstknecht of slaaf aan om hierdoor onze verlossing te verzekeren (Fil.2:5-11). Hierin zien we dat zijn onderwerping aan de Vader zijn vrijwillig geschenk was en niet iets dat van hem geëist werd. Nergens wordt eraan getwijfeld dat hij gelijkwaardig is aan de Vader; lees maar door Johannus 5 – 9. Steeds weer bewijst Jezus dat hij God is (bijvoorbeeld in 8:58: “Ik ben, zelfs al voordat Abraham er was!” Daarentegen nam hij toch vrijwillig de rol van dienstknecht aan om zo onze rechtvaardiging te bewerken. De wezenlijke gelijkheid van Vader en Zoon staat in een spanningsveld met de functionele onderwerping voor onze verlossing (en het herstel van Zijn Koninkrijk)., waarin hij de rol van dienstknecht op zich neemt. Dit is het spanningsveld van het Bijbels mysterie van Gods Drie-Eenheid. 35  Hoe zouden we dit kunnen uitleggen zonder menselijke rolmodellen die dezelfde waarheden in eenzelfde soort rollen uitbeelden?

C.S.Lewis zijn vlugschrift over “priesteressen in de kerk” (hoewel het de kerkelijke bevestiging van vrouwen in de Anglicaanse kerk niet kon tegenhouden 36) biedt ons een goede overdenking betreffende het verschil tussen de (godloze) wereld en de kerk. 37  In de wereldse samenleving mogen mannen en vrouwen vaak niet onderscheiden worden. Maar die gedachte kunnen we afleggen wanneer we terugkeren tot de werkelijkheid, zoals God die geschapen heeft. Daar kunnen we onze eigen identiteit als man en vrouw weer dragen. 38

 

… het soort gelijkheid waarbij gelijken ook verwisselbaar moeten zijn is een culturele (?) fantasie. Dat mag in de samenleving dan zo zijn, maar in de kerk volgen we geen fantasieën. Seks was onder meer geschapen om de geheimenissen van God te symboliseren. Een van de functies van het huwelijk is uitdrukking te geven aan de aard van verbondenheid tussen Christus en de kerk. Wij hebben niet de bevoegdheid om de levendige en gevoelige beelden die God geschilderd heeft op het doek van onze geaardheid te vertekenen alsof het slechts geometrische vormen zouden zijn.

Met de kerk zijn we dieper betrokken, want daar hebben we te maken met mannelijk en vrouwelijk- niet slechts als fysieke gegevens maar als de levende en verschrikkelijke schaduwen van realiteiten die geheel buiten onze controle en grotendeels buiten onze directe kennis liggen. 39

Lewis wil aantonen dat, als wij met M/V rollen knoeien, dit onze eigen schade zal zijn. Wat heeft God ermee bereikt ons mannelijk en vrouwelijk te maken? Waarom maakte hij ons niet als uniseks schepselen of hermafrodieten of met een keuzeoptie voor het geven of verzorgen van het leven? Waarom gaf hij verschillende taken? Diepzinnige openbaringsmysteries hangen samen met onze seksen en met ons vervullen van onze God-gegeven rollen.

Als God ons iets leert over zichzelf en onze relatie met hem (in die zin zijn we allen vrouwelijk, zegt Lewis naar Ef.5:25-27b en Openbaring 21:2), durven wij dan te knoeien met zijn keuze van analogie of metafoor, of de eigenlijke taal die Hij daarvoor gebruikt?

In een gevallen en zondige wereld zullen er altijd zondige mannen en vrouwen zijn die elkaar onderdrukken en minachten op grond van hun geslacht. De culturele fantasie van uniseks en verwisselbare kiezers, burgers, werknemers is bedoeld als beveiligingsmechanisme. Maar in kerk en huisgezin hebben we toegang tot bekering en vergeving. Dat zijn essentiële gereedschappen waarmee mannen en vrouwen hun stralende mantels van verschillen kunnen blijven dragen om zo samen te leven als volk van God- gevalle, vrijgekocht, vergeven, en vergevende.

Gerechtigheid is uiteindelijk datgene dat God verordent. Dus, in hoeverre je gerechtigheid kunt zien in de God-geschapen M/V rollen hangt vooral af van hoeveel vertrouwen je stelt in God. Zou de rechter van de hele wereld geen recht doen? Kunnen we buiten zijn ontwerp een andere, wellicht betere omschrijving bedenken voor wat “recht” is? Wat zou daarvoor onze gids zijn; wat weten wij dat Hij niet zou weten?

Als we echt overtuigd zijn van Gods wijsheid, liefde, en goedheid, dan –wanneer onze verlangens en Gods geboden met elkaar botsen- weten we ons vertrouwen te stellen in de onfeilbare … en niet in onze zo-gemakkelijk-te-beïnvloeden verlangens.

Ann Voskamp, in haar boek “One Thousand Gifts” (Duizendmaal Dank), schrijft:

(God) gaf ons Jezus. Jezus! Hij gaf hem op voor ons allen. Als we slechts één ding zouden onthouden, is dit dan niet voldoende? Waarom is dit de herinnering die (ik) zo gemakkelijk als vanzelfsprekend aanneem? Hij sneed het vlees van de God-mens open om zijn bloed te laten stromen. Hij waste ons vuil weg met zijn bloedige genade.

Is deze ene wetenschap dan niet voldoende? Hebben wij verder dan ook maar iets anders nodig? Als God zelfs zijn eigen Zoon aan ons overgaf, zou Hij dan ook maar iets terughouden wat wij nodig hebben?

Als vertrouwen verdiend moet worden, heeft God dan niet heel uitdrukkelijk ons vertrouwen verdiend met de bast (?) op zijn verse wonden en de dorens in zijn voorhoofd gedrukt, en jouw naam op zijn gebarsten lippen? Hoe zal hij dan niet vol genade alle dingen schenken die hem het beste en juiste toelijken voor ons? Hij heeft ons al het meest onschatbare geschenk gegeven. 40

  

De gerechtigheid achter Gods schepping van man en vrouw, en zijn beschikking over de rollen die hij voor hen verkoos zijn wellicht niet altijd duidelijk voor ons. Waarom dan zo en niet anders? Maar kunnen wij dan echt verwachten dat wij met ons beperkte denkraam de onmetelijke, almachtige, wijze, goede, lieflijke, en genadige gerechtigheid van God te kunnen bevatten? Er ligt misschien nog wel een vaag idee in “de dans van man en vrouw”, waarbij we toch iets mogen voelen en vertonen van het leven binnen de Drie-eenheid. De rest ligt gekleed in het mysterieuze, en dat kunnen we accepteren in het volste vertrouwen dat dit zo voor ons toch het beste is.