Het Tanend Schriftgezag in de Kerken

(D.A. Carson en John D. Woodbridge, ed. Hermeneutics, Authority, and Canon, laatste deel van hoofdstuk 1: D.A. Carson: Recente Ontwikkelingen in de leer der Schriften, blz. 46-48)

Een groot respect voor de Schrift heeft slechts weinig waarde voor ons als we het Schriftgezag niet met enthousiasme aanvaarden. Maar vandaag de dag bedenken we steeds meer manieren om dat gezag te omzeilen of af te zwakken.

Ik heb het hier niet over hen die formeel het schriftelijk gezag ontkennen; uiteraard kunnen we verwachten dat zij de moeilijke teksten en onaantrekkelijke waarheden vermijden. Maar zij die de absolute waarheid van Gods Woord beamen hebben geen excuus.

De redenen voor zulk falen zijn velen. Voor een deel weerspiegelen zij het antiautoritaire (of: revolutionaire?) standpunt dat de westerse wereld vandaag beheerst en dan vergeten we dat de Bijbel echte vrijheid toont, niet als absolute vrijheid (van alle gezag) maar als vrijheid van de zonde.

Dit liberalisme heeft twee verrassende kinderen verwekt.

De eerste is een nieuwe liefde onder sommige gelovigen voor een autoritair regime. Zij voelen zich niet veilig of orthodox tenzij een of andere leider hen precies vertelt wat ze moeten zeggen, doen, en denken. Dit leidt er onherroepelijk toe dat er machtsliefhebbers komen die het godsdienstig leiderschap op zich nemen. Hierin worden ze soms gesteund door een theologie die aan deze leiders ‘apostelschap’ toekent of een andere speciale, charismatische titel waarbij elke predikant een paus wordt. Formeel wordt in deze gevallen het Schriftgezag erkend, maar een toeschouwer krijgt wel de indruk dat bij deze zelfingenomen leiders hun eigen opvattingen (die ze dan ‘Schriftuurlijk’ noemen) meer gezag krijgen dan de Schrift zelf. De kerk roept om mensen die de Schrift met enthousiasme en gezag verkondigen, terwijl ze laten zien dat zij zelf onder haar gezag willen staan. Vooral kerkleden die (wellicht terecht) gecharmeerd zijn van charismatische stromingen zijn vooral vatbaar voor dit soort cultische extremen.

Het tweede vinden we in een tamelijk conservatieve reactie op de huidige ontwikkelingen die sommigen zien als een oprechte zegen. Maar deze conservatieve trend wordt zelden gekenmerkt door berouw en gebrokenheid. Integendeel, het is vaak doordrenkt met een houding van “dat fiksen we” die op arrogantie lijkt. Veel van de meest gerespecteerde leiders onder ons vertonen een beeld van volledige controle, eindeloze competentie, een stralend succes, en een geleerde geraffineerdheid. Wij zijn experts en we leven in een generatie van experts. Maar de kost is groot: langzamerhand verliezen we het besef van afhankelijkheid van Gods genade. We verliezen de grote waardering voor onze totale afhankelijkheid van de God aller genade, en daarmee verwerpen we thema’s zoals zelfopoffering en discipelschap terwijl we ons geven aan cursussen over succesvol leven en leiderschap in de kerk. We vergeten dan dat de God van de Bijbel zegt: “De man waar ik respect voor heb is nederig van Geest en hij siddert voor mijn Woord” (Jesaja 66:2).

Conservatisme op zichzelf moet niet verward worden met godvrezendheid, zelftucht niet met discipelschap of instemming met de ware leer met een hartelijke vreugde in de waarheid. [Als Tozer nog geleefd zou hebben zou hij zeggen dat er geen verbetering is gekomen sinds de publicatie van zijn gepassioneerde klaaglied over “het tanende gezag van Christus in de kerken.”]

Tegelijk met de groeiende arrogantie kwam de exegetische en filosofische geraffineerdheid die ons nu in staat stelt om de Schrift bijna alles wat wij willen te laten onderbouwen. Henry (Tozer) merkte scherp op:

“… in de afgelopen jaren … is er een soort diefstal opgedoken waarbij “christenen” gedeelten uit de Bijbel halen die zij niet langer als het Woord van God (willen) beschouwen. Sommigen hebben zelfs verwezen naar de bedoeling van de schrijver of zijn culturele context om daarmee hun misdaad tegen de Bijbel te rationaliseren. Dit doet me denken aan een aanrander die mij probeert te verzekeren dat hij mijn vrouw aanvalt omdat hij het beste met haar voor heeft. Zo misbruiken zij de Schrift door als Schriftuurlijk te propageren wat in feite de Schrift geweld aandoet.”

Erger nog, sommigen onder ons die er niet over zouden piekeren om sommige Bijbelgedeelten uit de Schrift te halen (door ze als niet-gezaghebbend te bestempelen) kunnen door exegetische vernuftigheid de Schrift bijna alles laten zeggen wat zij willen, om dit dan rond te bazuinen als een profetisch woord, terwijl het in feite niet anders is dan de boodschap van deze eeuw, gereflecteerd in de Heilige Schrift. Tot onze schaamte hebben we meer gehongerd om meesters van het Woord te worden dan om ons door het Woord te laten overmeesteren.

De indringende aard van het probleem komt tot volle uitbarsting in de “christelijke” handelaar bij wie het geloof geen invloed heeft op zijn of haar manier van zaken doen of op de manier waarmee de waarde van de goederen wordt getaxeerd. Het komt tot uiting in de toenemende echtscheidingsgraad in christelijke gezinnen en ook onder kerkelijke leiders, waarbij er vaak weinig gevoel van schaamte is en geen gevolgen lijken te zijn voor hun kerkelijke werk. In de meest miserabele vorm komt het tot uitdrukking wanneer uitgebreide exegetische vaardigheid wordt gebruikt om -bijvoorbeeld- te bewijzen dat de Bijbel homoseksualiteit alleen afwijst als het niet ‘in liefde en trouw’ wordt beoefend (ook al zet een degelijke Bijbelstudie deze stelling al snel op zijn kop) of dat we het woord ‘hoofd’ in M/V gerelateerde teksten moeten vertalen als ‘bron’ (waarbij een degelijk onderzoek aantoont dat onder zo’n tweeduizend gevallen waar datzelfde Griekse woord gebruikt in die tijd gebruikt werd er slechts een paar gevallen zijn waarbij deze vertaling gerechtvaardigd zou kunnen zijn).

Dit denken wordt nieuw leven ingeblazen wanneer populaire evangelisten zeggen dat ze het woord ‘zonde’ niet meer willen gebruiken (omdat dit niet meer begrepen zou worden) zonder dat ze inzien dat de hieraan verbonden waarheden (zoals de zondeval, de wet van God, de aard van de overtreding, Gods wraak en zelfs zijn genadige verlossing) hierbij een duidelijke verandering van betekenis krijgen.

Hoewel ik bang ben dat de evangelische beweging weer eens een ernstig conflict over de ware leer tegemoet gaat, en hoewel we deze opkomende debatten met passende nederigheid en moed tegemoet gaan, wat het meest alarmerende is dat het Schriftgezag zo afbrokkelt. Dit gebeurt niet alleen onder hen die de waarheid van de Schrift loslaten maar ook (om andere redenen) onder hen die juist dit gezag ten sterkste willen verdedigen. Tot op zekere hoogte zijn we allen onderdeel van het probleem en wellicht doen we er het beste aan om nog iets te redden in de groeiende verbrokkeling door een ernstige gelofte te doen in bekering en geloof om Gods Allerheiligst Woord te leren kennen en te gehoorzamen. Dan zullen wij er ook aan herinnerd worden dat de uitdaging om een complete, consistente en orthodoxe leer van te Schrift te bewaren en te verkondigen niet alleen door ons verstand bereikt kan worden maar slechts op onze knieën en door de macht van God.