Doorgeslingerd (van etnocentrisme naar relativisme)

De laatste vier jaar voordat wij (in 1983) getrouwd en met twee kleine kinderen naar Winnipeg in Canada emigreerden studeerde ik (naast mijn onderwijsbaan) aardrijkskunde. Vooral de cursussen sociologie en culturele antropologie vond ik interessant, omdat dezen mij hielpen het menselijke denken en de culturen beter te begrijpen.

Zo leerden we dat volken en groepen van nature hun eigen woonplaats beschouwen als het middelpunt van de aarde en hun eigen volk of groep als “het volk” of “de mensen”. Ook in moreel-cultureel opzicht ziet men eigen waarden en normen als goed en juist, terwijl (daarvan) afwijkende opvattingen en gewoonten worden gemeden, afgekeurd, of ook bespot. Godsdienst functioneert vaak net als andere aspecten van een groepscultuur, dus ook hier worden de overgeleverde verhalen, ceremonies, regels en gewoontes gekoppeld aan de eigen identiteit. Wat vreemd is en van buiten de groep komt wordt uiteraard met wantrouwen bevooroordeeld en vaak als bedreigend ervaren.

Als mensen anderen (uit andere volken, culturen, zuilen of kerkelijke tradities) echt willen begrijpen en verstaan zullen we hen niet voorshands moeten bekritiseren en verwerpen, want op die manier krijgen we nooit een goed of eerlijk beeld en begrip. We moeten dus afstand nemen van ons natuurlijke etnocentrisme om daarmee open te staan voor anderen en hun ideeën en leefwijzen.[1]

Tegenover de natuurlijke, traditionele instelling van het etnocentrisme staat het culturele relativisme, dat ervan uitgaat dat elke cultuur haar eigen opvattingen en gewoontes moet ontwikkelen en dat die niet vanuit een andere cultuur bekritiseerd of afgekeurd mogen worden. In het westerse denken heeft er een radicale verschuiving (shift) plaatsgevonden, weg van het etnocentrisme in de richting van het cultureel relativisme.

 

Paradigm Shift

 

In Nederland begon dit proces wellicht wat later dan bij andere Europese landen, maar na de Tweede Wereldoorlog, en vooral in de zestiger jaren brak het door met grote kracht. Dat betekende o.m. dat er in Nederland een eind aan de maatschappelijke verzuiling moest komen. Hoewel iedereen was grootgebracht met het idee dat de idealen van de ouders (socialistisch, katholiek, gereformeerd, of vrijzinnig) superieur waren, werd het nu als kortzichtig en hooghartig gezien als je nog zo durfde spreken of redeneren.

Ook op kerkelijk terrein is deze verschuiving te zien. Was het in de jaren na de Vrijmaking heel gewoon om te spreken of te schrijven over De Ware Kerk, 25 jaar later was daar veel kritiek op en nog weer 25 jaar later werd het bijna overal afgekeurd als achterlijk en ouderwets.

De term ware kerk mag dan een typisch vrijgemaakt kenmerk (geweest) zijn, de gedachte dat de eigen kerk veel beter is dan anderen is internationaal heel gewoon geweest onder de kerken. In Canada heb ik dat vernomen onder Gereformeerden, Baptisten en Pentecostalen.

 

Leer en Leven: Nu wordt een kerk of kerklid vaak beoordeeld op grond van leer (theologie; inhoud van het geloof) en leven (vrucht van de Geest; praktische uitwerking van het geloof).  

De leiders van de Canadese Vrijgemaakten hebben vaak beweerd dat we hun alleen maar mogen beschrijven en bekritiseren op grond van hun officiële leer. De Bijbel maakt hier niet een scherp onderscheid; het is namelijk heel menselijk dat leer en leven niet op elkaar afgestemd zijn. Wanneer culturele antropologen een cultuur willen beschrijven letten ze veel meer op het gedrag van de mensen dan op hun woorden. Uit het gedrag (vooral in isolement van de eigen groep) is af te lezen wat iemand echt gelooft, waar hij/zij echt voor gaat. We kunnen wel zeggen dat wij, als gelovigen gaan voor God, maar is dat zichtbaar voor buren en collega’s?

 

Wat betreft de leer der kerk is het belangrijk te beseffen dat wij (nog) niet volmaakt kunnen kennen en begrijpen. Wij hebben geen perfecte kennis van Gods plan en wil. Weliswaar heeft Hij, door Zijn Geest, ons zijn Woord gegeven als zelf-openbaring voor de Kerk van alle tijden en plaatsen, maar dat neemt niet weg van het feit dat er altijd wel zaken zijn waar oprechte christenen in kunnen verschillen.[2] We mogen niet zomaar het gezag van God en van zijn Woord verschuiven naar onze theologie, alsof de manier waarop wij de Schrift uitleggen feilloos en onbetwist zou kunnen zijn. In die zin is etnocentrisme af te keuren.

 

Ook in het christelijke leven is het belangrijk anderen niet te lichtvaardig te veroordelen vanuit eigen traditie. Toen ik (als gereformeerde) bij de Canadese baptisten theologie ging studeren, hoorde ik deze anekdote.

Op zondag zien de baptisten dat de gereformeerden zichzelf een lekker glas wijn inschenken of zelfs een sigaartje opsteken. En die noemen zichzelf christenen! Ondertussen zien de gereformeerden dat de baptisten op zondag een kop koffie drinken bij Starbucks of eten bij McDonald’s. En die noemen zichzelf christenen!

 

Praying for Rain: Hoewel ik het Ware-Kerk denken met de paplepel had binnengekregen, nam ik daar in de jaren tachtig voorgoed afstand van. Toen ik een jaar of twintig was had ik al ervaren dat sommige evangelischen meer serieus leefden vanuit het christelijk geloof dan de meesten in onze kerk. Na onze emigratie probeerde ik de Canadese vrijgemaakten te laten zien dat we veel van andere kerken en christenen kunnen leren en dat wij het in onze kerk ook niet altijd bij het rechte eind hebben. Daarom besloot ik ook om zelf, met behulp van “andere” theologen, zoals Packer, Bridges, Carson en Keller mijn traditionele opvattingen te toetsen aan de Bijbel.

Uiteindelijk had ik het idee dat ik mijn bevindingen moest delen in de vorm van een boek.

Helaas vond ik maar weinig interesse onder mijn kerkgenoten om de zaken samen te bestuderen; er heerste veel angst om buiten het gereformeerde boekje te gaan. Theologie was voor de professoren in Hamilton, en er was geen ruimte of begrip voor amateur of aspirant theologen. Toen ik “Praying for Rain” (een oproep tot vernieuwing onder de Canadese Vrijgemaakten) gepubliceerd had raakte ik mijn baan kwijt en kwamen we onder de kerkelijke tucht.

 

Rem op het Relativisme

 

In cultureel opzicht is genoemde verschuiving niet algemeen en zelden volledig.

Als eigen overtuigingen en gewoontes niet meer gepropageerd (mogen) worden, dan zal er toch iets moeten komen om de ontstane leegte op te vullen. We kunnen niet doelbewust en effectief functioneren als we niks meer hebben om voor te leven of te vechten. Bijvoorbeeld, kan een voetbalclub echt effectief zijn als ze niet geloven dat zij beter zijn dan anderen?

Ook al was er aan het eind van de twintigste eeuw optimisme in het Westen dat het Global Village concept de wereldvrede zou verzekeren, bleek toch steeds weer dat volken en cultuurgroepen zich vaak weer bedreigd gingen voelen en dan juist weer heel etnocentrisch gingen functioneren.

Bovendien leidde een omhelzing van het cultureel relativisme tot belangrijke ethische vragen.

  • Mogen we zaken als vrouwelijke besnijdenis, slavernij, en kannibalisme wel bekritiseren of afkeuren als die gebeuren in een andere bevolkingsgroep of cultuur?
  • En als we het erover eens zijn dat sommige dingen ‘echt niet kunnen’, op grond van welk absoluut gezag kunnen wij dit stellen? (Hier ligt een apologetische uitdaging, die Tim Keller ook wel gebruikt.)

 

En wat gebeurt er als we uitkomen bij kerkelijk of theologisch relativisme?

Voordat we Nederland verlieten werd er al regelmatig door jongeren gezegd dat bij evangelisatie de kerkkeus er niet toe doet. ‘Je gooit ze een reddingsboei toe, dan doet de kleur van de boei er toch niet toe?’

Toch zijn er wel degelijk kerken waar het volgen en gehoorzamen van Christus niet centraal staan, dus is het ronduit gevaarlijk om ervan uit te gaan dat er geen valse kerken zouden bestaan of dat ieder die zichzelf christen noemt Jezus ook daadwerkelijk centraal stelt in het leven. De Bijbel zelf geeft veel voorbeelden van valse profeten, dwaalleraren en schijnheiligen die niet getolereerd moesten worden. Er wordt steeds op aangedrongen om leer en leven (van jezelf en van anderen in de kerk) te toetsen aan het Woord van God. Paulus trekt bijvoorbeeld fel van leer tegen de gemeente in Galatië, omdat zij hun eigen gehoorzaamheid naast het werk van God wilden laten meetellen. Volgens de apostel is er naast Gods genade geen ruimte voor een eigen bijdrage van onze kant. Ik denk dat de leiders[3] van The Gospel Coalition terecht waarschuwen dat dit nog steeds (of alweer) een probleem is in de kerken van vandaag.

 

 

Het theologisch relativisme heeft zijn uitwerking gekregen in de zgn. Nieuwe Hermeneutiek. De klassieke hermeneutiek had een stelsel ontwikkeld voor de interpretatie en toepassing van Bijbelteksten, voornamelijk met betrekking op de vraag hoe volgelingen van Jezus behoren te leven. In de nieuwe hermeneutiek wordt de Bijbel niet (in de eerste plaats) gezien als Gods zelf-openbaring, waarbij Hij door zijn Geest een Boodschap heeft voor de kerk van alle tijden en plaatsen. Nee, de Bijbel is (vooral) geschreven door mensen die beïnvloed en beperkt werden door hun eigen cultuur en daarom is het onze taak om te kijken wat en hoe dit het beste toegepast kan worden in de hedendaagse cultuur met de nieuwste wetenschappelijke inzichten en ideeën hoe wij behoren te leven.

 

De Kerk onder Druk

 

Vijftig jaar geleden zaten de meeste Nederlanders nog aardig vastgeroest in de zuilenmaatschappij. Je volgde de traditie van je zuil en je stelde niet te veel kritische vragen. Als je braaf meedeed, dan kon je rekenen op een sociale kring die hulp, steun en bescherming bood. Gereformeerden lazen drie keer per dag uit de Bijbel en gingen twee keer per zondag naar de kerk. Er was een vrij sterke sociale druk om je aan de opvattingen en gewoonten van je groep te houden. Alleen als mensen tijdelijk buiten de groep (met haar peer pressure) kwamen kwam de ware aard soms naar buiten.[4]

 

Toen de samenleving de zuilen neerhaalde begon ik ook regelmatig te horen dat het schandalig is dat Jezus Christus zichzelf de Waarheid noemt en dat alleen zijn volgelingen met God verzoend kunnen worden. De kerk die het relativisme nastreeft (in reactie op het vroegere ware kerk idee) komt dan onder druk te staan en zal proberen de Bijbel op een bredere manier te lezen.

Zo lees je in Geert Mak zijn boek De Eeuw van Mijn Vader hoe vader Mak, gereformeerd predikant in Nederlands-Indië, in de jaren vijftig gelukkig al ruimdenkend genoeg was om te denken dat een lieve Boeddhistische vrouw ook zonder (geloof in) Jezus de hemel wel binnen zou gaan.

Vorig jaar wilden we Nederlandse lessen geven aan asielzoekers, en daarvoor zochten we een zaaltje in de buurt van het AZC. Zo kwamen we ook bij een kerk met de vraag of zij konden helpen. Na een paar weken had de KR hierover vergaderd en besloten dat ze geen medewerking wilden geven aan Bijbels onderwijs aan asielzoekers, vooral als het om Moslims ging, want die zouden daardoor in problemen kunnen komen. Maanden later vroeg ik hierover aan een ouderling van die kerk die me vertelde dat iedereen daar vond dat we maar niet moesten oordelen of Moslims (ook zonder geloof in Jezus, dus) in de hemel zouden komen.

Dat klinkt waarschijnlijk heel bescheiden (We kunnen het niet zeker weten…), maar Gods Woord spreekt hier toch over? Is er dan geen opdracht voor de kerk discipelen voor Jezus te maken door het evangelie te verkondigen? Is Jezus dan niet dé weg, dé waarheid en het leven? Is er dan geen hel waar mensen pas echt in de problemen komen? Was het dan niet nodig dat Jezus vermoord moest worden aan het kruis? Als al deze dingen op losse schroeven staan, brandt de kandelaar daar dan nog wel?

 

Het lijkt erop dat we in Nederland niet meer mogen spreken; dat heet ‘oordelen’. Toch, als kerken en kerkleden steeds meer denken dat alle kerken in principe gelijk zijn, hoe kan de kerk dan staande houden in de strijd voor de waarheid?[5]

Als dit soort kerkelijk relativisme aangenomen wordt, dan blijft er van Gods wapenrusting maar weinig meer toch? Dan staan de kerkdeuren wijd open, ja voor allerlei vormen van dwaling en ontucht.

 

Toen ik leerling was in het voortgezet onderwijs koos ik als examenpakket de exacte vakken. Pas jaren later kreeg ik echte interesse voor geschiedenis. Toch heb ik een ding al vroeg geleerd: in de geschiedenis zien we vaak verschuivingen, slingeringen van het ene extreem naar het tegenovergestelde. Mensen en culturen slaan vaak door, en daar wordt het meestal niet beter van. History repeats itself. It has to… for nobody listens!

 

Van buitenaf bekeken moet de conclusie hier ook zijn: We zijn doorgeslagen naar het relativisme! En voor de kerk moet dat wel verwoestend werken. Houd vast aan de apostolische overlevering, en laat niemand dat op losse schroeven zetten! Red wat er nog te redden valt, en als de waarschuwingen niet ter harte worden genomen: red jezelf en je kinderen!

[1] Dr. Plantinga, voormalig filosofie professor aan Redeemer College (University), zei dat de (christelijke) filosoof altijd met één been in eigen cultuur moet blijven staan, terwijl het andere been erbuiten moet staan. Op die manier hoef je dus niet alle traditie overboord te gooien, terwijl je er toch kritisch-evaluerend mee om kunt gaan.

[2] De kinderdoop, bijvoorbeeld. Ik vraag me echt af onder degene die blijven beweren dat de Bijbel heel duidelijk gebiedt dat de kleine kinderen der gelovigen gedoopt moeten worden hoeveel van hen de tijd en moeite genomen hebben om naar (gereformeerde) baptisten te luisteren hoe zij de Bijbel verstaan.

[3] Don Carson; John Piper; Stephen Westerholm. Zie bijvoorbeeld “Rechtvaardiging opnieuw bekeken”

[4] Zo lees je in Hylke Speerstra zijn boek Het Wrede Paradijs regelmatig hoe (ogenschijnlijk) degelijke gereformeerden tijdens een overtocht naar “het beloofde land” buitenechtelijke avontuurtjes hadden om daarna in Canada of Australië weer voorbeeldig kerklid te zijn.

[5] Een broeder in onze kerk-kring stelde voor dat we maar niet over ‘waarheid’, maar over ‘wijsheid’ moesten spreken. Ik begrijp dat deze wijsheid slaat op datgene wat de ‘vrede’ en de ‘eenheid’ bevordert.