Oud en Nieuw: Woord en Geest

Op het moment dat hij spreekt over een nieuw ​verbond​
heeft hij het eerste al als verouderd bestempeld. Welnu, wat verouderd is en
versleten, is de teloorgang nabij.

(Heb. 8:13)

Het oude
verbond werd stapsgewijs ingevoerd, eerst met Abraham en later met Mozes. De
besnijdenis (van het mannelijk lid) was het persoonlijke teken; de wet en de
sabbat waren tekenen voor de hele groep.

In mijn
boek typeerde ik dit verbond (of, zoals ik straks probeer uit te leggen: deze dimensie van het genadeverbond) als “het
Woord”[1]. Vanaf de roeping van Abram staat
het Woord centraal, toch verruimt de inhoud ervan. De Openbaring van God wordt
verrijkt door deze fasen. Het Woord van God kwam tot Abram en zijn nageslacht.
Bij de berg Horeb kregen de Hebreeuwen de Wet van God, en de climax van het
verbond wordt gevonden in Jezus Christus, het Vleesgeworden Woord (Joh. 1). Hij
wordt afgeschilderd als de Super-Mozes van het Nieuwe Verbond.

Het volk
van God (in het Oude Testament) was de gemeenschap dat het Woord (of de Wet) van God ontvangen had. Ze moesten natuurlijk niet
alleen naar het Woord luisteren, ze
moesten er ook naar leven; Jacobus
herhaalt die waarschuwing voor de kerk[2]. Paulus legt uit dat de vleselijke
besnijdenis geen verlossing geeft; alleen de besnijdenis van het hart kan dat
doen[3], d.w.z. de transformatie door de
Heilige Geest. God sloot zijn verbond met de nakomelingen van Abraham, maar
velen leefden niet als kinderen van Abraham; ze geloofden niet in God en
weigerden naar zijn Woord te leven.

God had de
Hebreeuwen verlost als op arend vleugels. Dan geeft Hij zijn belofte, een
voorwaardelijke belofte: “Als je mijn woorden ter harte neemt en je aan
het ​verbond​ met mij houdt, zal je een kostbaar bezit voor mij zijn,
kostbaarder dan alle andere volken – want de hele aarde behoort mij toe. God vertelt ook wat zijn bedoeling is. Een
koninkrijk van ​priesters​ zal je zijn, een ​heilig​ volk.” (Ex. 19: 4,5)

Voor het Nieuwe Verbond met de mensen die
Christus hebben geloofd en hem willen gehoorzamen, schrijft Petrus: “Maar u
bent een ​uitverkoren​ geslacht, een koninkrijk van ​priesters, een ​heilige​
natie, een volk dat God zich verworven heeft om de grote daden te verkondigen
van hem die u uit de duisternis heeft geroepen naar zijn wonderbaarlijke licht.”
(1 Petrus 2: 9)


Voorwaardelijkheid

Ik wil mijn verhaal kort onderbreken voor
het begrip voorwaardelijkheid. Er ligt hier een belangrijk spanningsveld. Aan
de ene kant ligt er het aspect van zegen en vloek, zoals we dat vinden in
Deuteronomium 28. Als het verbondsvolk het verbond blijft breken van hun kant
zal God hen uiteindelijk verstoten. Toch geeft God zijn plannen nooit op. Van
alle mensen die uit Egypte vertrokken kwamen slechts een paar in het beloofde
land. Toch moeten we erkennen dat God zijn belofte wel heeft gehouden, want de
Hebreeuwen (namelijk de kinderen van hen die uit Egypte kwamen) hebben het land
van God uiteindelijk wel gekregen.


Veranderingen

Uiteraard
is er met Jezus zijn komst veel veranderd.

Er is nu
geen geografisch centrum voor de eredienst meer. De tempel met de Wet in het
centrum was de symbolische troon van
God. Nu troont God in de harten van zijn volgelingen en in hun vergadering. De
wet kon zelf geen leven bieden; ze wilde de mensen naar de God van de genade
leiden. God heeft nu Zijn Geest gegeven en Hij is het die de gelovigen tot
liefde, dankbaarheid en gehoorzaamheid brengt. Jezus legt er de nadruk op dat
degene die Hem liefheeft zich ook wil houden aan zijn voorschriften (Joh. 15). De nadruk is niet langer op Mozes en
de wet; God openbaarde zijn heilige wil en zijn genadige liefde veel rijker in
de leer en het leven van zijn eigen Zoon.

De wet kon nooit echt leven geven, want
niemand kan God volkomen liefhebben en dat wordt uiteindelijk wel geëist. Als de wet geen leven biedt,
dan kan het alleen veroordelen en dus leiden tot de dood. De profeten spraken
echter al over een nieuw verbond dat niet afhing van de wet maar van de Geest.[4]

Het lijkt erop dat Paulus dezelfde
verandering voor ogen had van de wet van God naar de Geest van God als hij schrijft
naar de gemeente van Efeze:

7Aan ieder van ons is
​genade​ geschonken naar de maat waarmee ​Christus​ geeft. 8Daarom staat er: ‘Toen hij opsteeg naar omhoog, voerde hij
gevangenen mee en schonk hij gaven aan de mensen.’ 
9‘Hij steeg op’ – wat betekent dat
anders dan dat hij ook is afgedaald naar wat lager ligt, naar de aarde? 10Hij
die is afgedaald is dezelfde als hij die opsteeg, tot boven de hemelsferen, om
alles met zijn aanwezigheid te vullen. (h. 4)

Het citaat is van psalm 68. In de Joodse
traditie werd hierbij gedacht aan Mozes. Mozes ging de berg (Horeb) op om
daarna terug te komen met Gods geschenk: de Wet. Paulus lijkt te wijzen op de
vervulling in Jezus (Super-Mozes). Hij steeg ook op naar God de Vader en toen
terugkeerde met Pinksteren als de Geest van Jezus (Fil. 1:19) oftewel de
Heilige Geest.

In het oude verbond waren er uitgebreide
voorschriften over het brengen van offers om onder anderen de schuld voor God
(die bloedvergieten vereiste) en de dankbaarheid aan God te benadrukken. De schuldoffers
zijn vervuld door het Lam van God dat de zonden van de wereld wegneemt, Jezus
Christus dus, door zijn kruisdood. De dankoffers waren vaak karig en niet van
harte[5]. God is niet blij met zulke offers; iemand die echt gelooft, is van
harte bereid alles op te geven als dankoffer voor de genade van God. Dat moet,
uiteraard, groeien in het leven van de gelovige, maar de bereidheid en de
gevolgen ervan moeten wel zichtbaar zijn.

Gereformeerde
Baptisten hebben wel gesteld[6] dat het in het Oude Verbond puur om
materiële beloften ging, zoals een groot volk en vruchtbaar land terwijl het
nu, in het Nieuwe Verbond gaat om geestelijke zaken. De zaken van het Oude
Verbond waren trouwens wel bedoeld als voorafspiegeling van de zaken in het
Nieuwe Verbond. Die strakke scheiding doet echter geen recht aan teksten die
spreken over Abraham die al zicht had op een hemelse stad en de belofte dat zij
die stand houden in het geloof de nieuwe aarde zullen beërven[7].


De Belofte

Petrus stelt op de Pinksterdag: De belofte is voor de Joden
(en zij die Joden geworden waren), dat zijn de nakomelingen van Abraham. Maar
de belofte is ook voor allen die geroepen worden. Het is Pinksteren, dus het
gaat om het beloofde geschenk van de Heilige Geest. De belofte van de Heilige
Geest wordt gegeven aan allen die het Evangelie horen en die beloften worden
werkelijkheid door een waar geloof. (Wat
is een Geloven?
)

Nu, vanaf Pinksteren wordt deze belofte vervuld in de
volgelingen van Jezus. Daar vinden we het Koninkrijk van God, omdat Hij daar
geëerd en gehoorzaamd wordt.

Zoals bleek uit de brief van Petrus vormt de kerk nu de
gemeenschap waar dit gebeurt, maar naast dit collectieve perspectief moeten we
ook aandacht geven aan het persoonlijke perspectief. De Heilige Geest woont in
elke (echte) gelovige, maar hier ook geldt dat er sprake is van gave en opgave.
De gelovige moet er ook op letten de wapenrusting te blijven gebruiken en zo te blijven wandelen met Gods Geest aan zijn
zijde.

Nu moet het Woord naar
alle volken en taalgroepen gaan, want in principe is de belofte voor iedereen.
Het is de taak van de kerk, en dus van elke gelovige, om het evangelie te
verkondigen in woord en daad. En iedereen die, bewust van het kwade- ook in zichzelf,
wil luisteren naar het Goede Nieuws mag weten dat de belofte ook voor hem/haar
is.


Terug naar: Geloofsbegrip

Verder Lezen: Het 3-D Verbondsmodel


[1] 1Wat
hebben de ​Joden​ dan nog voor op anderen? Heeft het enig nut dat men ​besneden​
is? 2Zeer zeker, en in ieder opzicht. In de eerste plaats zijn het de ​Joden​ aan wie God zijn woord
heeft toevertrouwd.
(Rom. 3)

[2] 23Want
wie de boodschap hoort maar er niets mee doet, is net als iemand die het
gezicht waarmee hij is geboren in de spiegel bekijkt: 24hij
ziet zichzelf, maar zodra hij wegloopt is hij vergeten hoe hij eruitzag. 25Wie
zich daarentegen spiegelt in de volmaakte wet die vrijheid brengt, en dat
blijft doen, niet als iemand die hoort en vergeet, maar als iemand die ernaar
handelt – hem valt geluk ten deel, juist om wat hij doet. (Jak. 1)

[3] 28Jood​ is men niet door zijn uiterlijk, en de ​besnijdenis​ is
geen lichamelijke ​besnijdenis.29Jood​ is
men door zijn innerlijk, en de ​besnijdenis​ is een innerlijke ​besnijdenis. Het
is het werk van de Geest, niet een voorschrift uit de wet, dus wie innerlijk
een ​Jood​ is, ontvangt geen lof van mensen maar van
God. (Rom. 2)

[4] 26Ik
zal jullie een nieuw ​hart​ en een nieuwe geest geven, ik zal je
versteende ​hart​ uit je lichaam halen en je er een levend ​hart​
voor in de plaats geven. 27Ik zal jullie mijn geest geven en zorgen dat
jullie volgens mijn wetten leven en mijn regels in acht nemen.

(Ez.
36, vgl. Ez. 11: 19)

[5] Maleachi 1

[6] Zoals in David Kingdon:
Children of Abraham.

[7]
10omdat hij uitzag naar een stad
met fundamenten, door God zelf ontworpen en gebouwd. 

16Nee, ze keken reikhalzend uit naar een beter vaderland: het
hemelse. Daarom schaamt God zich er niet voor hun God genoemd te worden en heeft
hij voor hen een stad gereedgemaakt. (Heb. 11)