Kleine Kinderen in de Kerk


De Positie van de Kinderen

Toen de
Hebreeuwen verlost werden uit Egypte gingen de kinderen mee. Toen Lot gered
werd uit Sodom bleven de kinderen niet achter. Als Jezus kinderen ‘verloste’
van hun ziekten deed hij dit op grond van het geloof van hun ouders. Toen de
gevangenbewaarder discipel van Jezus werd betekende dat ‘redding’ voor zijn
hele gezin. Toen ik een cursus “kerk planten” volgde bij de Baptisten vertelde
de zendeling/docent, Mr. Dijkema, die in het Midden Oosten gewerkt had: “Als in
die cultuur de vader tot bekering komt moet je bereid zijn het hele gezin te
dopen. Vrouw en kinderen volgen het voorbeeld van de vader (anders kunnen ze
niet in het gezin blijven)”. Dit is de cultuur waarin de vroegchristelijke kerk
leefde!

Als
christelijke vrienden in China een baby kregen vroegen ze mij wel om als pastor het kind te zegenen. In een van
die gevallen hing er in de kamer een plaat van de Goede Herder. Ik verzekerde
de ouders dat de lammetjes ook bij de Goede Herder horen en bad dat hun kleine
lammetje ook zelf later die Herder wilde blijven volgen.

Toch heb ik
wel problemen met de kinderdoop zoals ik hiermee ben opgegroeid. In die
traditie moesten we bij ‘verbond’ denken aan de doop van baby’s in de kerk. Het
gaat in de Verbondsgeschiedenis echter niet in de eerste plaats over de
kinderen van gelovigen maar om het herstel van Gods Koninkrijk in en door de
volgelingen van Jezus. De Pinksterdag speelt hierin een grote rol.


Petrus en Pinksteren

Bij de argumenten
voor de kinderdoop wordt verwezen naar de Pinksterdag, waar Petrus zegt: “Keer
u af van uw huidige leven en laat u ​dopen​ onder aanroeping van ​Jezus​ ​Christus​
om ​vergeving​ te krijgen voor uw ​zonden. Dan zal de ​heilige​ Geest​ u
geschonken worden, want voor u geldt deze belofte, evenals voor uw ​kinderen​
en voor allen die ver weg zijn en die de ​Heer, onze God, tot zich zal roepen.”

Feitelijk geeft Petrus aan dat dat de
belofte van de (inwonende Geest van God) niet alleen voor Joden en Jodengenoten
is (zoals die samen waren in Jeruzalem), maar ook voor allen die alsnog
geroepen zouden worden door de verkondiging van het evangelie.

De belofte is dus ook voor de kinderen in
de kerk, want die mogen ook het evangelie horen. Maar, hoewel de belofte was
voor allen in het gehoor van Petrus (omdat zij het evangelie hoorden) werden zij
die het evangelie weigerden aan te nemen niet
gedoopt.

De belofte van de Geest wordt in het
evangelie aan elke (serieuze?) toehoorder gegeven: “Bekeer u en geloof, en God
zal in je wonen met Zijn Geest.”[1] Toch weet ik van geen kerk die bereid is alle gasten bij de
kerkdienst te dopen.

De doop heeft betrekking op de vervulling
van de belofte, niet het verkrijgen van de belofte. De doop hoort bij het
drie-dimensionele verbond. Dus, hoewel de kinderen in de kerk, net als de
kinderen in het Oude Verbond, de belofte hebben omdat zij het Woord horen, wil
dat nog niet zeggen dat zij als gelovigen beschouwd moeten worden.

De belofte van de inwonende Geest van God
is vervuld in de geestelijke kinderen van Abraham, d.w.z. allen die de Zoon van
Abraham volgen in woord en daad; in vertrouwen en gehoorzaamheid.


Verplichting tot Gehoorzaamheid

In de traditie waarin ik opgroeide was “verbond” niet alleen
sterk gekoppeld aan “kinderdoop”, maar ook aan “troost”. Ik vermoed dat het
doopformulier daar ook wel enige aanleiding toe heeft gegeven. In een moderne
versie staat bijvoorbeeld:

“De heilige Geest garandeert je dat hij in je komt wonen. Hij
maakt je één met Christus. Daardoor zul je eens volmaakt zuiver zijn. Dan zul
je eeuwig leven te midden van de mensen die God heeft uitgekozen.”

Waar
zegt de Bijbel dat de Heilige Geest het geloof, de wederdoop, heiligmaking en
het eeuwige leven garandeert? Dat klopt toch helemaal niet? De verwijsteksten
in het formulier helpen hier ook niet. Twintig jaar geleden worstelde ik al met
deze zaak. Ik vroeg predikanten en theologie professors: “Als het zeker is dat dit
de uitkomst is voor elk gedoopt kind, hoe is het dan mogelijk dat een van hen niet in de hemel zou komen. Ik kreeg daar nooit een duidelijk of
afdoende antwoord op. Een professor antwoordde dat het geen garantie maar een
belofte is, maar dat kun je zeker in de meeste vertalingen niet volhouden: een
zegel is toch ook een garantie?[2]

Mensen
die het doopformulier kennen zullen zeggen dat we het vervolg niet mogen
negeren. Daar staat:

“Van jouw kant ben je door je doop verplicht God zo te
gehoorzamen als bij je nieuwe leven past. Geloof in deze ene God – Vader, Zoon
en heilige Geest – en heb hem lief met heel je hart, met heel je ziel, met heel
je verstand en met inzet van al je krachten. Breek met de wereld van de zonde.
Laat afsterven wat zondig in je is en laat in je manier van leven zien dat je
ontzag hebt voor God. Als je uit zwakheid nog zonden doet, mag je je er niet
bij neerleggen dat je nu eenmaal zondig bent. Dat kun je ook niet als excuus
aanvoeren. Maar je hoeft ook niet te twijfelen aan Gods genade, want je doop
garandeert dat God voor eeuwig een verbond met je gesloten heeft.”

In
de tijd dat ik mijn boek schreef was het in onze kerk een populaire opvatting
te denken dat de verplichting weliswaar bestond, maar dat de opvolging ervan
geen echte consequentie zou hebben, immers:

  • God heeft zijn garantie toch al gegeven? Dan kan niets wat wij doen de uitkomst veranderen.
  • Als wij hem ontrouw zijn blijft hij ons trouw want zichzelf verloochenen kan hij niet. (2 Tim. 2)
  • Gods genade is onweerstaanbaar; dat staat immers in de Dordtse Leerregels?
  • De heiligen zullen volharden in het geloof, volgens dezelfde leerregels.


Als we gehoorzaamheid een verplichting gaan noemen kan dat
gemakkelijk leiden tot een houding van tegenzin, alsof wij in het verbond van
alles moeten. Het probleem is dat een
onwelwillende gehoorzaamheid God geen vreugde geeft en de mens geen winst
oplevert. Alleen als getransformeerde mensen God van harte willen dienen (ook
als andere kerkmensen er niet bij zijn) kan er sprake zijn van echt geloof.

Als we er echter vanuit gaan dat de gedoopte kinderen al
verlost zijn, maar dat het daarna van hun gehoorzaamheid afhangt of ze
inderdaad behouden zouden worden, dan vallen we gemakkelijk in het probleem van
de Galaten. Inderdaad is het een populaire theorie onder sommige Gereformeerden
om te denken in de trant van een tweetraps verlossing. De eerste zou dan onvoorwaardelijk zijn: in genade hebben
wij alle gaven van Christus al gekregen; dat wordt bevestigd in de kinderdoop.
Echter, bij het eindoordeel speelt onze gehoorzaamheid aan de wet van God nog een
belangrijke rol. Dit is ongeveer de redenering van Tom Wright en van de mannen
van de Federal Vision in Noord-Amerika.
Baptisten zoals Piper, Carson en Westerholm hebben aangetoond dat deze theorie,
hoewel ze aantrekkelijk lijkt, toch op een essentieel punt tot een valse leer
leidt, want Paulus staat erop dat genade alleen genade is als werken der wet
geen rol spelen[3].

Ook in het Nieuwe Verbond bestaan serieuze waarschuwingen.
Als een kerk alleen liefde en genade verkondigt zonder waarschuwing en oordeel,
dan geeft ze een scheefgetrokken evangelie en een vals vertrouwen. Prof. J. Van
Bruggen schreef hierover in zijn boekje “Het Diepe Water van de Doop”. De doop
geeft niet zonder meer troost, want hoe groter Gods gaven, hoe groter de
verantwoordelijkheid en het oordeel bij ongeloof en ongehoorzaamheid. Daarom is
het heel gevaarlijk om aan te nemen dat elk kind al wedergeboren is en dus God
centraal wil stellen in zijn/haar leven of dat iedereen in de kerk al bekeerd
is. Het lijkt er echter op dat Van Bruggen zijn waarschuwingen over de ernst
van de doop niet veel verandering heeft gebracht in de manier waarop veel
kerken nu nog spreken over de kinderdoop.

Nu de Nieuwe Hermeneutiek geaccepteerd is in de meeste
Gereformeerde kerken is professor Van Bruggen trouwens op een zijspoor gezet,
want hij is niet meer “bij de tijd”.


Conclusies

De zaak over de kinderdoop is lang niet zo duidelijk als mij
vroeger werd voorgehouden. Baptisten waren geen echte christenen, werd mij
verteld. De Bijbel leerde namelijk duidelijk dat kinderen van gelovigen gedoopt
moeten worden. Als Baptisten dat weigeren te doen nemen ze dus Gods Woord niet
serieus en dus zijn ze geen christenen.

Over de laatste twintig jaar, echter, heb ik steeds weer
gezien hoe groepen Baptisten meer Gereformeerd werden terwijl veel
Gereformeerden juist minder Gereformeerd werden.

Wellicht is Ezechiël 17 hier van toepassing:

24) En alle bomen in
het veld zullen beseffen dat ik, de HEER, het ben die een hoge
boom velt en een kleine boom doet groeien, die een gezonde boom laat verdorren
en een verdorde boom weer laat bloeien.

Afgelopen zomer heb ik de doop bij onderdompeling
aangevraagd bij een Baptistenkerk. Dit was mijn getuigenis:

“Toen ik, ruim zestig jaar geleden, geboren werd bij
gelovige ouders brachten zij me naar de kerk. Daar mocht ik het teken van het
verbond ontvangen: God wilde ook mijn Vader en Verlosser zijn.

Pas twintig jaar later vond er een geestelijke revolutie
plaats in mijn leven. Ik wilde niet langer zelf in het centrum van mijn wereld
staan. Uit diepe dankbaarheid voor Gods liefde in Jezus wilde ik nu voor Hem
leven en van Hem getuigen.

Toch begreep ik toen niet dat dit bekering en wedergeboorte
was. Dat kwam pas twintig jaar later toen ik, net als de mensen in Berea zelf
de Bijbel wilde onderzoeken over de dingen zoals ik die geleerd had. Ik begon
toen ook Baptisten zoals Don Carson en John Piper te waarderen. Toch was ik er toen
nog niet klaar voor om ondergedompeld te worden.

Maar vandaag, weer twintig jaar verder, is eindelijk de tijd gekomen om het verbond met God te vernieuwen en te gaan door het diepe water van de doop!”


Terug naar Geloofsbegrip


[1] Uiteraard is het wel zo dat
de Heilige Geest al in de toehoorders werkt door het Woord en eerder; als dat
niet zo was zouden ze niet eens naar Petrus willen luisteren.

[2] In de oudere vertaling stond
dat de Heilige Geest in dit kind wil
wonen. Dat hoeft niet Arminiaans te zijn, want Jezus zei ook dat hij zo graag
Jeruzalem onder de vleugels van Gods liefde had willen brengen. (Lucas 13: 34)

[3] Stephen Westerholm: Rechtvaardiging
Opnieuw Bekeken