Wat is “Bekering”?

Het woord ‘bekering’ (Engels: conversion) duidt op een radicale verandering of ommekeer, een “U-turn”.

Jaren geleden stonden we met ons LPG busje (converted to propane fuel) bij een pompstation in noord Ontario. Er stond al iemand te wachten bij de propaan pomp toen wij aankwamen. De man had een gasfles naast zich staan; die moest dus gevuld worden. De pompbediende was nog druk met andere bezigheden, dus we moesten wat geduld oefenen voor hij ons zou helpen. Eén van onze jongens riep uit het raampje: “Druk op de bel! Druk nog een keer!” De man met de fles zei, “Ze komen zo!”  Ik dacht net dat hij opmerkelijk geduldig was (Wellicht was hij een Christen?!), toen hij me vroeg, “When did you convert?” Overrompeld door de vraag reageerde ik, “What do you mean… convert to propane or convert to Christ?” Hij lachte, “Yes, I am a Christian, but I meant your van!”

Christelijke bekering duidt op een overgang van de duisternis naar het licht. Vóór deze radicale verandering staan we zelf of staan andere dingen centraal in ons leven, maar daarna richten we ons leven op God. Toen we geboren werden en kleine kinderen waren, toen waren we op onszelf gericht: ons enige doel was onze behoeften te bevredigen. Wanneer we opnieuw geboren worden, dan krijgen we het geestelijke leven: Gods Geest komt in ons wonen, zodat ons leven niet meer bestuurd wordt door zelfzucht, maar door de Heilige Geest.

Voordat dat het geval is kunnen we niet spreken over een persoonlijk geloof of een wandelen met God. De wedergeboorte is een radicale (niet: totale) verandering in het menselijk bestaan. Petrus schrijft daarover in zijn eerste brief, hoofdstuk 1, verzen 1 t/m 4. “Je (voormalige) vrienden vinden het maar gek dat je niet langer mee wilt doen aan hun wilde feestjes.” De nieuwe mens vindt zijn plezier in het dienen van God, niet in het dienen van zijn eigen lusten. Hij probeert niet vast te houden aan die lusten, terwijl hij uitdagend zegt, “Waar staat dat dan in de Bijbel dat het niet mag?” Nee, hij zoekt eerlijk de wil van God, en hij is bereid om op te offeren alles wat daar niet bij past.

In de kerk waar ik opgroeide dacht men bij ‘bekering’ voornamelijk aan ‘dagelijkse bekering’. Hiermee werd bedoeld een dagelijkse evaluatie van ons doen en laten, waarbij we dan tot het besef moesten komen dat er weer veel zonden en tekortkomingen waren, waarna we om vergeving vroegen.

(Normaal wordt hier het woord ‘heiliging’ of ‘heiligmaking’ voor gebruikt.) ‘Bekering’ in de zin van een radicale omwenteling tot God- daar werd niet of nauwelijks over gesproken. Buitenkerkelijken moesten zich bekeren, maar kerkleden waren toch al bekeerd?

Tot een jaar of twintig was ik een echte brave gereformeerde jongen. Ik deed wat er van mij verwacht werd: thuis, op school, en in de kerk. Doordat de regels thuis behoorlijk streng waren, raakte ik wel in het isolement. Als ik “cool” met mijn leeftijdgenoten (in de kerk) had willen zijn, dan had ik de verwachtingen van de ouderen aan mijn laars moeten lappen; dan kon ik dus niet langer een “goede gereformeerde jongeling” zijn. Door dat isolement ging ik nog meer proberen om juist de goedkeuring van ‘hen die over mij gesteld waren’ te winnen. Dat leek heel mooi, maar uiteindelijk was het pure zelfzucht: de goedkeuring van mensen, ‘het stille applaus’ van mijn meesters moest mijn leven waarde geven.

Pas rond mijn twintigste veranderde dat. Ik kreeg een diep besef van Gods vergevende liefde in de kruisdood van Zijn Zoon. Toen begreep ik pas wat echt belangrijk was, en toen zag ik dat ik bekering nodig had; voortaan moest en zou ik mijn leven richten op de dienst van God, uit dankbaarheid voor Zijn liefde voor mij.

Net als J. Packer (beschreven in Michael Green’s biografie) het zijn (Anglicaanse) Kerk heel kwalijk nam dat ze hem niet verteld hadden dat hij zich moest bekeren, zo neem ik het de gereformeerde kerken (vrijgemaakt) kwalijk. Toen ik jong was hoorde ik nooit dat ik radicaal moest veranderen. Wij waren het verbondsvolk, en God had ons alles al geschonken!

 

Hoewel de leiders vaak ontkennen dat er ‘verbondsautomatisme’ is, wordt dat toch –volgens mij- in de hand gewerkt. Bij de kinderdoop wordt (soms) gezegd dat de Heilige Geest de dopeling belooft in ze te zullen wonen, om ze zo tot ware gelovigen te maken. Ook worden de mensen in de kerkbanken gezien en aangesproken als mensen die wedergeboren zijn, mensen die al bekeerd zijn, en (soms zelfs als) allemaal vol van de Heilige Geest!

Laatst hadden we een preek over “Ga voor Go(u)d!” Waar leven mensen voor? Wat is het dat hen waarde en identiteit moet verschaffen? “De Christen leeft voor God! Hij alleen staat centraal in hun leven!” Dat was een duidelijke Bijbelse boodschap, maar het logische vervolg ontbrak: “Is dat inderdaad het geval in jouw leven? Hoe blijkt het voor je kinderen of je buren dat je God meer liefhebt dan wat-dan-ook in je leven?” 

In de lessen culturele antropologie leerde ik dat culturele groepen vaak dingen beweren over hun leven die niet kloppen met de praktijk. Als we een cultuur echt willen kennen, dan moeten we niet te veel aandacht geven aan wat de mensen zeggen, maar veelmeer aan hoe ze leven, wat ze doen. Dat doet God ook. Jezus waarschuwt daarover in zijn verhaal van de twee zoons: de ene geeft het goede antwoord, maar hij leeft er niet naar. De ander reageert bot, maar uiteindelijk gehoorzaamt hij toch- en daar gaat het om. Degene die Jezus liefheeft, die leeft naar Zijn onderwijs; dat staat wel 6 of 7 keer in Johannes 14, 15. Aan de vrucht van de Geest herkennen we de echte volgeling van Jezus.

Volgende keer wil ik schrijven over “Wat is Zonde”.