Wat is ‘Zonde’?

Het begrip ’zonde’ is eigenlijk tamelijk veelzijdig. Ik wil jullie niet vermoeien met Hebreeuws en Grieks, maar de woorden die in de oorspronkelijke Bijbeltalen gebruikt worden voor ‘zonde’ vormen samen een rijke schakering van aspecten.

1 Nadat we -in Genesis 1- steeds lezen dat Gods nieuwe schepping goed is, horen we al snel over ‘kwaad’ of ‘slecht’.

 

Kort na de aanval op de “Twin Towers” in New York city was ik (weer eens) in gesprek met mijn atheïstische buurman. Ik vroeg hem, “What is Evil?” de kranten hadden net volgestaan met dit woord. Wellicht vermoedde hij een strikvraag, want hij reageerde met “Good question!”

Toen bleek dat hij verder niets had te zeggen, stelde ik voor, “Kwaad (of slecht) is het tegengestelde van ‘goed’. Daar had hij niets tegen in te brengen. Ik ging door, “Dan is het dus de hamvraag ‘wat goed is’.  Tenzij we het in het morele vlak kijken kunnen we heel eenvoudig stellen dat iets goed is als het voldoet aan de eisen en verwachtingen waarvoor het ontworpen was. Als ik een lamp in huis heb die geen licht geeft, dan is dat een slechte lamp; dan gooi ik hem weg.

Voor welk doel zijn wij gemaakt? Wat was de functie waarvoor wij waren ontworpen? Dat is het uiteindelijke dilemma! Als ik de Bijbel goed begrepen heb is het Gods bedoeling dat de hele wereld vol is van zijn majesteit en glorie. Als wij met God leven- in dankbaarheid, in vertrouwen, in liefde, en in gehoorzaamheid, dan doen wij goed. Elke keer dat we onze eigen eer, glorie, trots, en zelfzucht centraal gaan stellen, dan doen we niet waarvoor wij gemaakt waren; we doen ‘slecht’, en we mogen blij zijn dat God ons niet weggooit als een kapotte lamp.

2 Na dit basisbegrip moeten we wel beseffen dat we bij een lamp niet kunnen spreken over morele waarde. Een lamp kan slecht zijn omdat hij niet goed werkt, dat is toch weer anders dan een slecht mens. Ook al zijn de ideeën over ‘slecht’ verschillend op verschillende tijden en plaatsen, alle menselijke groepen hebben een moreel begrip. Het lijkt erop dat alle culturen het bijvoorbeeld slecht vinden om een klein kind expres te martelen- vooral als iemand daar plezier in heeft. In de Bijbel heeft het begrip ‘zonde’ dus ook morele aspecten.

3 Daar komt nog bij dat de Bijbel het begrip ‘zonde’ ook beschrijft in juridisch termen, d.w.z. vanuit het perspectief van het gerecht. God heeft ons gemaakt. Wij zijn zijn eigendom. God heeft ons goed gemaakt; wij kunnen Hem niets verwijten. God gaf ons regels voor zelf-behoud en voor het goed blijven functioneren van zijn schepping. Als wij dan, na ontvangst van heel veel goede dingen van ‘Onze Vader’ hem de rug toekeren en zijn leefregels aan onze laars lappen, dan voldoen we niet aan onze opdracht; dan staan we bij Hem in de schuld. God is Vader; God is Koning; God is Rechter. Dat geeft problemen!

Hoe moeten wij dan leven?

Verder zien we dat het begrip ‘zonde’ twee perspectieven kent.

  • Zonde is overtreding; je gaat over een grens.
  • Zonde mist het doel. Je richt je niet op het goed doel.

In het eerste perspectief kunnen we denken aan “de wet”, bijvoorbeeld “De Tien Geboden”. God gaf aan zijn volk (Israël) regels over wat ze moesten doen of nalaten om in goede relatie tot God te blijven. Bij ons in de kerk speelde die wet (ook) een belangrijke rol. We moesten die wet wekelijks horen om te beseffen hoe zondig we waren; dat moest ons dan leiden tot een gebed om vergeving. Als het onduidelijk was hoe we die oude geboden moesten vertalen naar ons leven vandaag, dan keken we naar de Heidelbergse Catechismus, die voor elk gebod verband legde met de apostolische brieven van het Nieuwe Testament.

Jezus vatte ‘de wil van God’ samen als: “God totaal en radicaal liefhebben en je medemens (liefhebben) als jezelf.” Volgens mij betekent dat: ‘God en Zijn wil centraal stellen in heel je leven, dus niet je eigen behoeftes, begeerten, of belangen.’ Bovendien houdt dat in dat we onszelf niet belangrijker vinden dan anderen, maar dat we ‘de ander (zelfs) als beter zien dan onszelf.’ Dat is niet zo eenvoudig! Niemand kan full-time zo leven!

Het lijkt erop dat in het Nieuwe Testament de nadruk niet meer ligt op een een lijst met regels die je moet houden; voor de wedergeboren Christen dwingt Gods Geest ons ertoe om Jezus lief te hebben. In Joh. 13 – 15 wordt meer dan duidelijk dat mensen die Jezus liefhebben, hun leven ook laten leiden door zijn onderwijs en zijn ‘geboden’.

In Paulus’ brieven zien we regelmatig een vergelijking en ontwikkeling van wet naar Geest. Eén voorbeeld:

In Efeziërs 4 verwijst Paulus naar Psalm 68 in zijn citaat over opgaan en neerdalen met gaven voor de mensen. Steeds meer geleerden wijzen erop dat deze tekst (uit psalm 68) door de Joden werd uitgelegd met verwijzing naar Mozes die de berg van God opging tot in Zijn aanwezigheid, en toen –na geruime tijd- weer naar het volk afdaalde met Zijn Wet. Welnu, nu hebben we Super-Mozes (dat is Jezus!). Hij ging op naar God, de Vader, bij Zijn Hemelvaart. Na verloop van tijd kwam Hij terug naar de aarde in de vorm van Zijn Geest, en zo gaf hij rijkere gaven aan het nieuwe volk van God!

 

In Israël vond je Gods zelfopenbaring (zijn heiligheid en zijn wil) in de Tien Geboden. Die lagen in het centrum van de eredienst: in de ark, in het meest heilige deel van het heilige deel van Gods tempel. In de kerk vandaag staat niet de wet van God maar de Zoon van God centraal als openbaring van Zijn heiligheid en wil. Daarom zegt Jezus niet, “Als je mij liefhebt, volg je Mozes’ wet. Hij zegt, “Als je mij liefhebt, dan volg je mij!”  Dat wil –uiteraard- niet zeggen dat Jezus’ regels héél anders zijn dan de oude wet, maar we zouden fout gaan als we Gods betere en vollere openbaring in Jezus Christus zouden negeren door steeds terug te gaan naar Mozes, naar de oude wet.

 

Bovendien ben ik het op dit punt oneens met Calvijn, die beweert dat we nog steeds de oude wet nodig hebben om ons naar Christus te brengen.  Voor de gelovige is het niet de wet maar Gods (inwonende) Geest die ons steeds weer oproept om Jezus’ liefde voor ogen te stellen en om Hem –ook in ons doen en laten- te volgen.

Next: Zijn wij ‘zondaren’?