1a Paulus aan Tessalonica en Korinte: Waar gaat het om?

Twijfels (over de nieuwe benadering van Paulus) komen op zodra we verder kijken dan de zaak die volgens Stendahl centraal staat in Paulus zijn opdracht; namelijk de voorwaarden waaronder niet-Joden toegelaten konden worden tot het volk van God. Zo komen we tot een vraag die nog meer fundamenteel is: Wat bracht de niet-Joden er eigenlijk toe om zich te willen aansluiten bij de gemeenschap der gelovigen? We hebben Stendahl niet nodig om ons te vertellen dat Paulus heen en weer reisde door het Middellandse Zee gebied om een gerust gemoed te geven aan een volk dat geplaagd werd door hun schuldige geweten.  Maar we hoeven ook niet te bedenken dat dat hij heidenen aantrok met met zijn aanbod van lidmaatschap in het volk van (de Joodse) God, of dat hij te koop liep met aantrekkelijke voorwaarden waarbij men bijgesloten konden worden tot het verbond met Abraham. Of besnijdenis nu nodig was of niet, maar weinig heidenen zullen een sterke aandrang gevoeld hebben om zich aan te sluiten bij een Joodse leefgemeenschap of bij hun verbond te horen.  Paulus zijn boodschap kan alleen dan geaccepteerd zijn onder de niet-Joden doordat hij nadruk legde op een zaak die ze zelf ook als een probleem zagen, eerder al of wellicht nadat ze Paulus ontmoetten.  Over de aard van dat probleem zijn de brieven overduidelijk.

 

De meeste geleerden denken dat 1 Tessalonicenzen de vroegste (nu bekende) brief van Paulus is. Het moet geschreven zijn kort nadat Paulus daar een gemeente gevestigd had, en de brief toont van begin tot eind duidelijk Paulus zijn insteek toen hij voor het eerst aankwam in deze stad. Steeds had Paulus zijn publiek gewaarschuwd dat een uitstorting van goddelijke wraak een nietsvermoedende bevolking zou overvallen en dat daarmee een plotselinge verwoesting over hen zou komen (1:10; 5:3; verg. 2 Tess. 1:5-10). De zondigheid was ten top gestegen. De heidenen hadden geen aandacht geschonken aan de echte, levende God, maar wel afgoden gediend. Zij waren berucht voor hun onzedelijkheid en ze gedroegen zich mensen van de duisternis, niet van het licht (verg. 1 Tess. 1:9; 4:4-5; 5:6-7). Wat betreft de Joden, hun vervreemding van God bleek duidelijk in hun schandelijke geschiedenis van hun verwerping van Gods boodschappers: de profeten van oudsher, de Heer Jezus, en sinds kort ook de apostolische getuigen (2:14-16). De vergelding zou voor allen onherroepelijk en onontkoombaar zijn (5:3).

Veel mensen vandaag de dag (we hoeven hier niet in te gaan op de redenen daarvoor) nemen zo’n boodschap niet te serieus. Het is echter duidelijk dat Paulus zijn lezers in de eerste eeuw dat wél deden; het idee dat een god kwaad zou worden vanwege hun gedrag was op zichzelf niets nieuws, en goddelijk ongenoegen (zo wist men) was een wezenlijk gevaar. Joden, zowel als niet-Joden waren altijd bezorgd geweest op goede voet te blijven met de bovennatuurlijke krachten die hun lot konden beïnvloeden of zelfs bepalen. Onder zulke zorgen vond Paulus zijn boodschap een natuurlijke weerklank. We mogen ons dus zeker afvragen of Stendahl gelijk heeft met het voorstel dat de moderne mens zich bezorgd afvraagt, “Waar vind ik genade bij God”. Toch het is onvoorstelbaar dat hij gelijk zou hebben bij het ontkennen van zo’n zorg voor de mensen in de oudheid- juist wanneer we denken hoe mensen reageerden op Paulus zijn noodlottige boodschap.  Het doet er in dit verband niet toe of dit later leidde tot een zelf-bezinning die typisch is voor latere eeuwen.  Met of zonder zelf-bezinning is het toch duidelijk dat iedereen die een waarschuwing van een onontkoombaar goddelijk oordeel serieus neemt, het wel belangrijk moet vinden of God genadig is.

 

Dit alles moet duidelijk zijn. Aan de andere kant is er niets in de brief dat erop duidt dat de verhouding tussen Joden en Niet-Joden in de geloofsgemeenschap een probleem was in Tessalonica.  Als het belangrijkste in Paulus’ theologisch gedachtengoed was hoe Gods genadeplan Joden en Niet-Joden omhelsde (en niet de zorg om genade te vinden bij God), en als de behoefte aan een genadige God slechts de zorgen van het latere westerse denken aangeeft, dan lijkt het toch dat Paulus een communicatieprobleem had. In zijn brief zegt hij dan weinig of niets over zijn grootste zorg, terwijl hij vruchteloos een probleem aan de orde stelt waar zijn lezers nog lang niet klaar voor waren.

Het antwoord op de vraag die Paulus tegenwoordig niet meer mag stellen was dat God door Zijn zoon Jezus gezorgd had voor een verlossing van het komende oordeel (1:10; 5:9). Deze boodschap van “verlossing”, terecht genoemd “evangelie” (= goed nieuws), was toevertrouwd aan Paulus (2:4, 16). Om “verlost” te zijn, moeten de hoorders van de boodschap deze “ontvangen” (1:6)- in de herkenning dat een menselijke boodschap is, maar een verklaring van God zelf (2:13). Deze reactie op Gods Woord betekende een “omkeer naar” de levende en echte God (1:9) en een geloof in hem (1:8). Mensen op de weg der verlossing werden onderscheiden van hen die het oordeel te wachten stonden vanwege de eersten hun gelovige reactie op het goede nieuws. De eersten worden steeds getypeerd als “de gelovigen” (1:7; 2:10, 13), de anderen als hen die de waarheid van het evangelie niet geloven of gehoorzamen (verg. 2 Tess. 1:8; 2:12; 3:2).

 

Er wordt regelmatig gesteld dat er iets egocentrisch (en onbehoorlijks) aan de hand is als iemand bezorgd is over zijn eigen verlossing. Toch zouden alleen mensen die Paulus’ boodschap weigerden serieus te nemen onbezorgd blijven. “Hoe kan ik genade vinden bij God?” is dan een goede manier om de onvermijdelijke zorg tot uitdrukking te brengen. Niet alleen Augustinus en zijn volgelingen, maar ook de Tessalonicenzen moeten dat gevoeld hebben.

De betekenis van 1 Tessalonicenzen voor ons betoog zou uiteraard aan kracht verliezen als het van de kant gedaan kon worden als “de vroege Paulus”, die dan een heel andere boodschap te berde bracht dan we in de brieven van zijn volwassenheid zouden vinden. Toch gaf zijn tocht van Tessalonica naar Athene en verder naar Korinte geen aanleiding tot zo’n verandering. Paulus omschreef zijn doel in Korinte – en, zo verzekert hij ons, op alle andere plaatsen – als alles te doen dat nodig zou zijn om zijn toehoorders te “verlossen”.

 

En ik ben voor de Joden geworden als een Jood, om Joden te winnen. Voor hen die onder de wet zijn, ben ik geworden als onder de wet, om hen die onder de wet zijn te winnen.

Voor hen die zonder de wet zijn, ben ik geworden als zonder de wet – hoewel niet zonder de wet van God, want ik sta onder de wet van Christus – om hen te winnen die zonder de wet zijn. Ik ben voor de zwakken geworden als een zwakke, om de zwakken te winnen. Voor allen ben ik alles geworden, om in ieder geval enigen te behouden. (HSV 1 Kor. 9:20-22, verg. 10:33)

 

“Verlossing” of “redding” in 1 Tessalonicenzen betekende bevrijding van Gods wraak en oordeel; in Korinte is de betekenis dezelfde. Volgens 1 Korinte 11:32, staat “de wereld” veroordeling te wachten; de bevolking worden op verschillende plaatsen genoemd als mensen die (zullen) “omkomen” (1:18; 2 Kor. 2:15; 4:3). En ze zullen omkomen omdat ze door hun daden het verderf verdienen: “de onrechtvaardigen zullen Gods koninkrijk niet beërven” (1 Kor. 6:9). Aan hen die het verderf en de ondergang tegemoet gingen bracht Paulus een boodschap van uitredding: verlossing van schuld en oordeel voor allen die zijn boodschap aanvaardden.

 

De boodschap over het kruis is dwaasheid voor wie verloren gaan, maar voor ons die worden gered is het de kracht van God Want zoals God in zijn wijsheid bepaalde, heeft de wereld hem niet door haar wijsheid gekend, en hij heeft besloten hen die geloven te redden door de dwaasheid van onze verkondiging. (NBV 1 Kor. 1:18, 21)

 

Broeders en zusters, ik herinner u aan het evangelie dat ik u verkondigd heb, dat u ook hebt aangenomen, dat uw fundament is 2 en uw redding, als u tenminste vasthoudt aan de boodschap die ik u verkondigd heb. Anders bent u tevergeefs tot geloof gekomen. (NBV 1 Kor. 15:1,2)

Wij zijn de wierook die Christus brandt voor God, zowel onder hen die worden gered als onder hen die verloren gaan. 16 Voor de laatsten is het een onaangename geur die tot de dood leidt, voor de eersten een heerlijke geur die leven schenkt. Wie is geschikt voor deze taak? (NBV 2 Kor. 2:15,16; verg. 6:1,2)

 

Er is dus geen twijfel over de kern van Paulus zijn boodschap toen hij in Korinte kwam. Van betekenis voor ons doel is het gebruik van de woorden “rechtvaardigheid” en “rechtvaardiging”. Deze woorden waren afwezig in Tessalonicenzen maar worden wel gebruikt in 1 en 2 Korintiërs, hoewel niet uitgebreid. De Griekse stamwoord in de grondtekst is dikai…  Normaal wordt het gebruikt in verband met het gerecht, en dan betekent het “onschuldig verklaren” of “rechtvaardig bevinden” of ook “vrijspreken”. Paulus schrijft in 1 Kor. 4:4 dat hij zich niet bewust is van enig kwaad dat hij gedaan heeft, maar hij beseft dat niet hij, maar God de rechter is. Zijn gevoel van onschuld betekent niet dat hij “gerechtvaardigd” is, want alleen God kan zo’n uitspraak doen. “Rechtvaardig zijn” – in de gewone betekenis van het woord – betekent dat je je morele verplichtingen bent nagekomen; je hebt gedaan wat je moest doen. Anderzijds, de “onrechtvaardigen” zijn degene die niet doen wat ze moeten doen, en Paulus heeft lijsten bij de hand met voorbeelden van zinvolle dingen die zij doen (1 Kor. 6:9-10). Eén manier dan waarop we het probleem van Paulus zijn evangelie kunnen stellen is dat de wereld is bevolkt met “onrechtvaardigen”, die als zodanig geen kans hebben het godsoordeel te ontlopen. Het evangelie stelt daar tegenover het aanbod dat de onrechtvaardigen toch nog “rechtvaardig verklaard” of “gerechtvaardigd” kunnen worden (6:11).

 

Dit soort taalgebruik, ik herhaal, treedt weliswaar niet op de voorgrond in Korintiërs, maar het staat er wel, en het heeft hier niets te maken met vragen of Niet-Joden nu wel of niet besneden moeten worden of zich aan de Joodse voedselwetten moeten houden (Deze vragen worden niet behandeld in deze brief), en ook niet hoe de Niet-Joden net als de Joden door God aangenomen kunnen worden (In feite, De Joden zelf hebben net zo hard verlossing nodig als de Niet-Joden. [1 Kor. 9:20-23; verg. 1:18-25].)  Paulus gebruikt het taalgebruik van “rechtvaardiging” wanneer hij aangeeft hoe zondaren de rechtvaardigheid kunnen verkrijgen die ze hard nodig hebben als ze voor God komen te staan. Dat Christus “onze rechtvaardigheid is”, zoals 1 Korintiërs 1:30 het stelt, stelt de zaak wel heel kort en krachtig: Christus is het middel waarbij mensen die uit zichzelf onrechtvaardig zijn (anders zouden ze Christus niet nodig hebben om hun rechtvaardigheid te zijn), toch rechtvaardig bevonden worden door God. Hetzelfde wordt gesteld in 2 Korintiërs 5:21: “Want Hem Die geen zonde gekend heeft, heeft Hij voor ons tot zonde gemaakt, opdat wij zouden worden gerechtigheid van God in Hem.” (HSV)

Het werkwoord “rechtvaardigen” wordt in 1 Kor. 6:11 gebruikt in de context van “het rechtvaardig verklaren van de onrechtvaardigen”. Toch had Paulus de Korintiërs net gewaarschuwd, “de onrechtvaardigen zullen Gods koninkrijk niet beërven” (6:9). Nadat hij allerlei soorten “onrechtvaardigen” noemt, vervolgt hij: “En zo leefden enkelen van jullie. Maar nu ben je gewassen, geheiligd, en gerechtvaardigd in de naam van de Heer Jezus Christus en door de Geest van God” (6:11). Die “rechtvaardiging” is mogelijk gemaakt door het wegnemen van zonden (die anders deze “onrechtvaardigen” van Gods koninkrijk buitensluiten.

We moeten hier nog een tekst uit de Korinte correspondentie noemen. 1 2 Kor. 3 wordt het verbond waaronder Paulus dient een verbond der “rechtvaardigheid” genoemd (omdat het tot vrijspraak leidt) in tegenstelling tot het verbond met Mozes, want dat brengt de betrokkenen slechts “veroordeling” en “dood” (2 Kor. 3:7-9). Hier neemt Paulus niet de tijd om uit te leggen waarom het Mozaïsch verbond veroordeelt en niet vrijspreekt, maar als we Paulus meer uitgebreid lezen bestaat daar geen twijfel over. Het Mozaïsch verbond belooft Leven aan hen die haar wetten gehoorzamen (Rom. 10:5) en vervloeking aan mensen die dat niet doen (Gal. 3:10). Daardoor wordt het een verbond van slechts “veroordeling” en “dood” (2 Kor. 3:7,9), uiteraard onder de veronderstelling dat iedereen haar voorschriften overtreedt, en dat was uiteraard de overtuiging van Paulus (verg. Rom. 8: 7-8). “In Adam sterven allen” (1 Kor. 15:22) – en de wet van Mozes kan dat niet verhelpen; het spreekt alleen het oordeel uit (verg. 15:56). Anderzijds brengt Paulus zijn dienst onder het nieuwe verbond een boodschap van “rechtvaardiging” en “vrijspraak” en leven voor mensen die anders veroordeeld zouden worden (2 Kor. 3:9).

In het kort: de Korinte brief koppelt het taalgebruik van “rechtvaardigheid” aan de boodschap die de Korinte brieven en de Tessalonica brieven aangeven als de fundamentele strekking van Paulus’ boodschap: om zondaren te verlossen van hun verdiende oordeel. “Rechtvaardiging” door het evangelie van Jezus Christus is één manier waarop Paulus de vraag beantwoord die voortkomt als reactie op een boodschap van een dreigend eindoordeel: “Hoe vind ik genade bij God?”

 

Voordat we verder gaan is het goed dat we benadrukken dat “rechtvaardiging” slechts één manier is waarop Paulus uitlegt wat Gods antwoord is op het probleem van de menselijke zonde; in 1 Tessalonicenzen ontbreekt het zelfs. Het meest uitgebreide en meest voorkomende woordgebruik dat Paulus gebruikt is dat van “verlossing” en “verlossen”:

 

Want Gods bedoeling met ons is niet dat wij veroordeeld worden, maar dat wij gered worden door onze Heer Jezus Christus. (NBV; 1 Tess. 5:9)

De boodschap over het kruis is dwaasheid voor wie verloren gaan, maar voor ons die worden gered is het de kracht van God. (NBV 1 Kor. 1:18)

 

Deze woordkeus benadrukt het onheil waarvan gelovigen verlost of gered worden, hoewel de woorden zelf niets zeggen over de reden voor het oordeel.  Dit laatste aspect van de verlossing wordt benadrukt door het taalgebruik van “rechtvaardigheid”; mensen die het oordeel “schuldig” of “onrechtvaardig” verdiend hebben worden toch “vrijgesproken” door God- en zo ontsnappen ze hun oordeel. Paulus gebruikt ook de taal van “verzoening” of “hereniging”:

 

Het is God die door Christus de wereld met zich heeft verzoend: hij heeft de wereld haar overtredingen niet aangerekend. En ons heeft hij de verkondiging van de verzoening toevertrouwd.  Wij zijn gezanten van Christus, God doet door ons zijn oproep. Namens Christus vragen wij: laat u met God verzoenen. (NBV 2 Kor. 5:19-20)

Werden we in de tijd dat we nog Gods vijanden waren al met hem verzoend door de dood van zijn Zoon, des te zekerder is het dat wij, nu we met hem zijn verzoend, worden gered door diens leven. (NBV Rom. 5:10)

 

Hier gaat het er om dat mensen die voorheen in (gevaarlijke) vijandschap leefden met God mogen nu in een goede relatie (“vrede”) met Hem leven. Het spreken over “verlossing (Rom. 3:24; 1 Kor. 1:30) geeft aan dat de mensen die zulke verlossing nodig hebben zich in gevangenschap of slavendienst bevinden. In elk van deze gevallen is het Christus die de goddelijke oplossing werkt: Hij is degene door wie God verlost, rechtvaardigt, herenigd, en vrijkoopt. 

 

Hoewel elk van deze (en andere) termen in Paulus’ schrijven een aspect van Gods oplossing belicht, hebben ze niet dezelfde betekenis en kunnen ze dus ook niet verwisseld worden. Zondaren worden rechtvaardig verklaard (niet verzoend); vijanden worden verzoend (niet vrijgesproken), enzovoort. Het taalgebruik is metaforisch, maar de metaforen hebben hun betekenis niet verloren.

vervolg: 1b  Het Galatië Dilemma

terug: Rechtvaardiging opnieuw bekeken