Niet door Werken der Wet

“Goede werken” hebben een slechte reputatie in Lutherse kringen. Het was dan ook een Lutherse predikant die mij het volgende verhaaltje vertelde, bedoeld -zeg ik er maar snel bij 😉 – als een grap.

Een Katholiek, een Baptist, en een Lutheraan verlieten deze wereld voor het hiernamaals. Toen ze in de plaats van eeuwige marteling aankwamen vroegen zij zich af hoe dat toch had kunnen gebeuren. De Katholiek had het al snel door: jarenlang –bedacht hij zich- was hij niet bij de mis geweest. De Baptist herinnerde zich al snel dat hij overspel had gepleegd; dat was dus zijn verklaring. De Lutheraan had meer moeite om te bedenken wat er fout was gegaan, totdat hij uiteindelijk bedacht dat hij eens een goede daad had verricht. 

Hoewel de toepassing verkeerd is in de karikatuur van ‘goede werken’, ligt Maarten Luther zijn uitleg van Bijbelteksten als Galaten 2:16 ten grondslag van het verhaaltje: “Wij worden niet gerechtvaardigd door werken van de wet, maar door geloof in Christus.” Voor Luther was het duidelijk dat gerechtvaardigde gelovigen “goede werken” doen. Hij beweerde dat de vraag nooit op moest komen of zulke werken gedaan moeten worden, want waar geloof is een “levende, actieve, en machtige zaak… Het is onmogelijk dat het niet zou uitmonden in een onvermoeibaar doen van goede werken.” Echter, Luther begreep dat Paulus ontkende dat goede werken enige plaats zouden kunnen hebben in de eigenlijke “rechtvaardiging”. Hij bleef voldoende exegeet om te begrijpen dat Paulus hier niet slechts spreekt van “goede werken” in het algemeen, maar van werken, vereist door de wet van Mozes. Toch geloofde hij dat de generalisatie niet onterecht was: als werken door God zelf voorgeschreven (in de wet van Mozes) al niet kunnen rechtvaardigen, dan moet dit zeker het geval zijn voor andere werken. 

Volgens sommige geleerden vandaag zijn alomvattende interpretaties zoals die van Luther niet van toepassing op de cultuur waar Paulus mee te maken had in Galatië. De Joden waren in die tijd niet wettisch; ze dachten niet dat ze hun eigen verlossing konden uitwerken door het doen van goede werken. Bovendien was “verlossing door werken” ook niet de boodschap die Paulus’ tegenstanders verkondigden aan de Galaten. Het ging namelijk om de vraag of gelovigen van Niet-Joodse afkomst besneden moesten worden (en zich daarbij uiteraard moesten houden aan de Sabbatsheiliging en de Joodse voedselwetten). Vooral James Dunn heeft zich hierover dik gemaakt door te stellen dat, wanneer Paulus het heeft over “werken der wet” die niet “rechtvaardigen”, dat hij het specifiek heeft over deze werken der wet: de “grenspalen” die gebruikt werden om Joden van Niet-Joden te onderscheiden. Paulus’ punt is eenvoudig: Niet-Joden moeten niet besneden worden, want de echte “grenspaal” die Gods volk onderscheidt van anderen is geloof in Jezus Christus. Dunn zijn voorstel klinkt zeker aannemelijk, en het geeft dadelijk de indruk dat het beter past bij de cultuur van de eerste eeuw (na Christus) dan de opvatting van Luther, die meer aansluit bij de discussies van zijn eigen tijd. Toch liggen de zaken (geloof ik) niet zo eenvoudig en kunnen we Luther niet zo gemakkelijk afschrijven. 

De moderne uitleggers hebben de situatie die Paulus ertoe bracht zijn rechtvaardigingsformule (“niet door werken der wet maar door geloof in Jezus Christus”) te formuleren juist geschetst. Inderdaad was die formule in de eerste plaats bedoeld om elke suggestie tegen te spreken dat Niet-Joodse gelovigen besneden moeten worden. Maar, waar Paulus op doelde met zijn “werken der wet” was, geloof ik, dichter bij (doch niet precies gelijk aan) Luther zijn “goede werken” dan bij Dunn zijn “grenspalen”. 

verder: De Wet en Haar “Werken”

terug: Rechtvaardiging opnieuw bekeken