HEER, vergroot mijn vermogen om lief te hebben

Weten de mensen dat wij volgelingen van Jezus zijn door de manier waarop wij elkaar liefhebben (Joh.13:35)?
Dat is een goeie vraag, al is hij misschien niet zo goed geformuleerd.
Het gebruik van het meervoud ‘wij’ kan namelijk voor een niet erg behulpzaam en afstandelijk effect zorgen.
Ik kan bijvoorbeeld mijn hoofd schudden en algemene kritiek spuien over het gebrek aan liefde in ‘de kerk’ en mijn hoofd schudden en klagen hoever ‘we’ in de kerk afgedwaald zijn van de nieuwtestamentische standaard.
Maar als ik dat doe kan ik de schijn wekken dat ikzelf eerlijker met de nieuwtestamentische liefdesgeboden omga dan anderen en een subtiel, misplaatst gevoel van superioriteit krijgen tegenover de ‘wij’ die tekortschieten in liefde zoals Jezus dat leerde.
Zo’n instelling levert niets positiefs op.

Ik, niet Wij
Ik moet heel zorgvuldig naar mezelf kijken als het gaat om kritiek geven op de kerk omdat het zo makkelijk en goedkoop is en je jezelf bedrieglijk belangrijk vindt.
Het analyseren en evalueren van het gebrek aan liefde in ‘de kerk’- en het (terecht) diagnostiseren van macro theologische, historische en culturele factoren die verantwoordelijk zijn voor dit probleem – voelt misschien diepzinnig, maar ik doe ondertussen niks.
Praten over gebrek aan liefde als een hoofdzakelijk extern probleem doet geen persoonlijk, specifiek appèl op mijzelf.
Dat is niet goed, want Jezus keurt praten-over-liefde zonder daden-uit-liefde of verandering-uit-liefde af (1 Joh.3:18).
De juiste manier om deze vraag te stellen is dan ook: kennen de mensen mij als een volgeling van Jezus door de manier waarop ik van anderen hou?
Ik erken dat mij oude mens deze vraag het liefst wil omzeilen omdat het mij in de schijnwerper zet – maar daar moet ik juist zijn.
Het dwingt mij om te stoppen met mijzelf te vergelijken met mijn concept van ‘de kerk’ in zijn algemeenheid en in plaats daarvan mijzelf te vergelijken met Christus die zei: ‘Zoals ik jullie heb liefgehad, zo moeten jullie elkaar liefhebben.’
En het helpt me te zien de balk van gebrek aan liefde in mijn eigen oog en hoe hard ik God nodig heb om te helpen die te verwijderen.

Onderscheidend kenmerk van een volgeling
Jezus, die God is, is liefde (1 Joh.4:8). En zijn liefde bedekt tal van zonden (1 Pt.4:8). Zijn liefde is erop uit om te dienen in plaats van gediend te worden (Mt.20:28). Zijn liefde is erop uit om verlorenen te redden (Luk.19:10) en bekleedt de teruggekeerde verkoren zoon met genade (Luk.15:11–32). Zijn liefde is geduldig en vriendelijk; het is niet ruw, grof, arrogant of wreed. Zij liefde is niet irritant of egocentrisch, houdt niet vast aan zijn eigen egoistische weg, verheugt zich alleen in de waarheid en verdraagt alle dingen (1 Cor.13:4–7).
De liefde van Christus door drengt elke andere deugd; Het is de meest voortreffelijke weg (1 Cor.12:31;13:13).
En Jezus zei dat deze liefde het onderscheiden kenmerk van zijn volgelingen zou zijn, het meest opvallende aan hen (Joh.13:35). Omdat ze liefhebben zoals Hij liefhad zouden ze zijn liefdes-ambassdadeurs op aarde zijn (2 Cor.5:20).
Christenen horen dus de meest op liefde gespitste, vasthoudende en uitdelende mensen op aarde te zijn.
Ben ik dat?
Ben jij dat?
Kennen mensen jou en mij als opvallend liefdevol?

Groeien in liefde
O, hoe nodig hebben wij het allemaal dat de genadige schijnwerper van de heilige Geest ons liefdespeil verlicht.
We hebben geen hogere prioriteit in ons leven dat God lief te hebben met heel ons hart, heel onze ziel, kracht en geest en onze naaste lief te hebben als onszelf (Lk.10:27).
We moeten geen dag langer laten verlopen waarop we het goedvinden dat het navolgen van deze twee liefdes afgeremd wordt.
En als we de grote geboden zorgvuldig lezen dan doen de woorden ’heel’ en ‘als’ ons op de knieën vallen en ons verootmoedigen voor God.
Zulk een verootmoediging – of hulpeloosheid – dringt ons tot bidden.
Mensen die bidden zijn mensen die weten dat ze zonder Christus niets kunnen (Joh.15:5).
Ze zoeken zijn aanwezigheid omdat ze hem dringend nodig hebben.
Christenen voelen niet altijd – in feite hoeven ze dat ook niet – het gevoel van wanhoop als ze bidden.
Heiligen die het meest geleerd hebben om op Gods beloften te vertrouwen hebben als niets anders geleerd hoe afhankelijk ze voor alles van God zijn.
En hoe betrouwbaar hij echt is.
Maar niemand van ons zal op het gebed met alles in hem of haar God liefhebben of de naasten als zichzelf, totdat we duidelijk ons gebrek aan zulke liefde (h)erkennen en hoe we het nodig hebben om vervuld te worden met de Geest van Christus om zoals hij lief te hebben.
We blijven liever onszelf vergelijken met het lage liefdespeil van de ander zodat we het gevoel hebben dat we nog best redelijk doen, totdat we de Geest van Jezus uitnodigen om ons te onderzoeken.
Zijn vragen boren altijd dieper.
‘Hou je van anderen zoals ik van jou houd?’
‘Weten ongelovigen dat jij een volgeling van mij bent door de manier waarop jij van je broers en zussen houdt die ik je gegeven heb om lief te hebben?’
Willen we werkelijk weten hoe hij over ons liefdespeil denkt?
Hij nodigt ons uit om het hem te vragen en hij belooft ons te antwoorden
wat we willen weten (Lk.11:10).
Zijn antwoord zal misschien vernietigend zijn.
Maar dat zorgt voor wanhoop in het bidden en dat zorgt weer voor groei.

Wat het ook maar kost, HEER
Jezus is buitengewoon serieus over zijn gebod, misschien wel meer dan wij denken (Joh.13:34).
Hij beval ons niet om elkaar lief te hebben naar onze maatstaf.
Hij beval ons lief te hebben naar goddelijke maatstaf – lief te hebben zoals hij liefheeft.
Het maakt niet uit dat zoiets onmogelijk is voor in zonde gevallen mensen, want wij hebben een God bij wie alle dingen mogelijk zijn (Ml.10:27).
En aangezien de Vader belooft heeft zijn Geest te schenken aan hen die hem daarom vragen (Lk.11:13), laten wij vrijmoedig (Hebr.4:16), en volhardend (Lk.11:5-8) vragen:
Wat het ook maar kost HEER, vergroot mijn vermogen om lief te hebben totdat ik u liefheb met mijn hele hart, mijn hele ziel, al mijn krachten en heel mijn verstand en mijn naaste liefheb als mijzelf.