Rechtvaardiging en “Rechtvaardigingstheorie”

Dit is niet de juiste plaats voor een bespreking van Douglas Campbell zijn lijvige publicatie The Deliverance of God[1]. In de voorgaande vijf hoofdstukken heb ik geprobeerd aan te tonen wat “rechtvaardiging” betekent en hoe het past in Paulus’ denken en zijn brieven. Dat betoog moet ook kunnen dienen om Campbell te weerleggen en zijn “rechtvaardigingstheorie”. Het is hier niet mijn bedoeling om Campbell zijn beweringen aangaande de ontoereikendheid van die theorie te evalueren, maar slechts om te onderzoeken of (of: in hoeverre) Paulus’ begrip van rechtvaardiging daarbij aansluit. Het is onontkoombaar dat we sommige eerdergenoemde punten herhalen, maar het geeft verder inzicht als we het idee van rechtvaardiging dat Campbell zo nadrukkelijk verwerpt vergelijken met wat (volgens mij) Paulus ons te zeggen heeft.

“Rechtvaardigingstheorie”

 

De God van de “rechtvaardigingstheorie” is van begin tot eind degene die het gerecht van de evenredige vergelding (‘een oog voor een oog, een tand voor een tand’) handhaaft: zijn kracht ligt in gerechtigheid, niet in welwillendheid. Deze theorie is in zichzelf individualistisch, voorwaardelijk, en contractueel: God oordeelt iedere persoon, afzonderlijk maar streng, aan de hand van omschreven (“contractuele”) criteria.

 

De gerechtigheid van God is … evenredig vergeldend (retributief) – bedoeld om de rechtvaardigen onvermijdelijk te belonen en de schuldigen onverbiddelijk te bestraffen, zonder te letten op de uiteindelijke collectieve gevolgen van elke opstapeling van zulke oordelen. In het kort; het rechtvaardigingsmodel bereikt zijn verlossingsdruk op individuen voornamelijk door het pleiten voor de noodzakelijke voor-zienigheid van een forensisch evenredig-vergeldende God.

 

Deze benadering geeft elke stelling van het model een typisch voorwaardelijk karakter en, daardoor, feitelijk een contractuele structuur: “Als je x doet (wat goed is), dan zal je beloond worden. Aan de andere kant, als je y doet (wat slecht is) – of wellicht verzuimt om x te doen – dan zal je gestraft worden.”

 

Onder het eerste contract wordt -volgens de rechtvaardigingstheorie- over het algemeen de morele perfectie als voorwaarde voor de eeuwige gelukzaligheid gesteld. Op de een of andere manier (door bekendheid met de wet van Mozes of door een vagere weergave daarvan in het menselijke geweten) worden mensen verondersteld zich bewust te zijn van de vereisten. Als redelijke individuen zullen ze herkennen dat het in hun eigen belang is om zich daarnaar te gedragen: het juiste gedrag wordt dus gestuurd door eigen-belang. Het probleem is echter:

 

Mensen zijn niet perfect. We zondigen – en soms nogal regelmatig. Bovendien wordt er verondersteld dat –als we eerlijk genoeg naar onszelf kijken, we dit allemaal zullen erkennen… Eerlijke zelfbeschouwing in het licht van een strakke toewijding aan verdiensten, samen met een nauwkeurige afbakening van de inhoud van de verdiensten, moeten uiteindelijk leiden tot een herhaling van Luthers reis der wanhoop, of tenminste tot een soortgelijke soteriologische[2] situatie. … Zo’n zelfreflectie leidt tot de conclusie – in juiste anticipatie – dat Gods oordeel negatief zal zijn … Redelijke individuen zijn nu bang en hopen op een of andere manier dit onontkoombare gevolg te vermijden.

 

We komen nu bij de “tweede fase van het model”, die “veel royaler is dan de eerste”, en zich richt op de dood van Christus. “Gods gerechtigheid wordt niet losgelaten of tekortgedaan maar voldaan door de betaling, tenminste op een bepaald punt, van de schuld die er stond voor overtreding. Vandaar dat het model een straffende én vervullende theorie is voor de genoegdoening. Christus’ dood is een verzoeningsoffer dat definitief is en eenmalig”. Toch worden de verdiensten van Christus’ offer in zijn kruisdood niet automatisch overgedragen op zondaren; zij “moeten voldoen aan een contractuele voorwaarde”. Uiteraard kan deze voorwaarde niet te hoog gegrepen zijn: “elke nieuwe voorwaarde moet redelijk uitvoerbaar zijn”. Deze voorwaarde, zo blijkt, is het geloof, en dat is “veel minder zwaar dan de stringente eis onder de wet die morele perfectie vereiste; maar toch blijft het een vereiste”.

Het Rechtvaardigingsmodel is een verhaal van twee contracten die overeenkomen met het twee-fasen verhaal, hoewel het eerste contract voor inherent onstabiel gehouden wordt zodat het voor de redelijke mens moet leiden tot een hartelijk aanvaarden van het tweede”.  Waarom “geloof” nu precies Christus’ verzoenend sterven inschakelt ten gunste van de gelovige blijft onduidelijk. Wat wel duidelijk is, dat het geloof de redelijke stap is die elke berekenende persoon die zijn eigen voordeel zoekt zal nemen, wanneer hij het alternatief (het goddelijk oordeel) inziet.

De echte Paulus, volgens Campbell, is niet de man die de Rechtvaardigingstheorie voorstaat, maar de apostel van de apocalyptische aflossing – in detail omschreven in tegenstelling tot de verworpen theorie. Campbell zijn alternatief valt buiten de reikwijdte van deze studie. Toch is het zinvol om op te merken dat, terwijl andere uitleggers van Paulus zich ten taak stelden om ruimte te vinden voor Paulus zijn taalgebruik van de rechtvaardiging én zijn apocalyptische ideeën van verlossing, Campbell de eerste afschrijft om de tweede als enige te laten staan. Een van zijn meest fundamentele redenen voor zijn voorstelling van beide schema’s als elkaar-uitsluitend is het Godsbegrip dat hij als basis ervan ziet: “de God van de rechtvaardigingstheorie is rechtvaardig terwijl de God van de alternatieve theorie barmhartig is. Fundamenteel verschillende concepten van God zijn hier in het spel” (nadruk gelegd door Campbell).

[1] Douglas A. Campbell, The Deliverance of God: An Apocalyptic Rereading of Justification in Paul (Grand Rapids: Eerdmans, 2009)

[2] soteriologie: verlossingsleer (vertaler)

 

lees verder: De Goedheid van de Schepping – en de Morele Verordening