In een Notendop

Veel mensen, zelfs in het moderne Westen, delen met Paulus het gevoel dat we een prachtige wereld gekregen hebben maar dat we veel gedaan hebben om haar goedheid te bederven. Ook zijn we tegenwoordig niet zonder een gevoel van moreel plichtsbesef en schuldgevoel voor zulk (wereld bedervend) gedrag. We herkennen dat de kern van het probleem ligt in de menselijke hebzucht en een flagrant negeren van het welzijn van alles en iedereen buiten onszelf. Toch zijn we, net als mensen door de eeuwen heen, geneigd om de hoofdverantwoordelijkheid op anderen te schuiven, en niet op onszelf. Wellicht zijn we ons minder bewust dan zou moeten, hoe onze woede-uitbarstingen, kwetsende opmerkingen, oneerlijkheden die ons goed uitkomen, en opgekropte wrokgevoelens er verder toe bijdragen dat de goedheid van het leven dat we kregen nog verder beschadigd wordt. Toch zijn er ruim voldoende gevallen van onrecht en onmenselijkheid, in onze eigen omgeving en in de aangelegenheden van de naties, om ons eraan te herinneren dat de wereld waarin we leven niet de wereld is zoals die behoort te zijn.

Dit is een bewustzijn dat we delen met de apostel Paulus.

Wat hij echter had –en wat wij verloren zijn- (“onderdrukt” hebben, zou hij zeggen; Rom. 1:18) is het gevoel dat het geschenk van een prachtige wereld en de goedheid van het leven komen van een Schenker; daarom is het sowieso terecht en mooi om aan je dankbaarheid uitdrukking te geven en het geeft ook blijk dat je afgestemd bent op de goedheid van de kosmos. Als we dat niet doen, dan laten we zien dat we ongevoelig zijn, en haaks staan op diezelfde goedheid. Dit is een afwijking die onvermijdelijk tot een ontwrichting van de goedheid zal leiden, waarbij alle aspecten van ons leven besmet en aangetast worden (1:18-32). Wat ons betreft; we zijn het er mee eens dat er iets mis is met de wereld, maar uiteindelijk kunnen we de verklaring daarvoor niet geven. De morele gevoelens die Paulus beschouwde als gaven van onze Schepper en een venster naar de goedheid van de morele structuur (2:15) zijn voor ons slechts persoonlijke waarden zonder betekenis voor de reële situatie. Omdat we onmogelijk kunnen zeggen waarom de wereld anders zou moeten zijn hebben we geen basis voor de hoop dat het eens goed zal komen. Paulus wist zeker dat de schepping “heel goed” gemaakt was, en hij twijfelde er niet aan dat de Schepper het uiteindelijk niet zou laten vernietigen. Eens zou hij de bedoelde goedheid volledig herstellen.

Maar een goddelijke ingreep om de zaken recht te zetten stelt hen die verbonden zijn met het verval van de schepping voor een onmiddellijk gevaar. Tenzij ze radicaal “hervormd” worden kunnen ze niet bestaan in een wereld van gerechtigheid – “de onrechtvaardige zal het Koninkrijk van God niet beërven” (1Kor. 6:9, verg. Gal.5:19-21). Zoals de zaken er nu voorstaan kunnen ze slechts een veroordeling verwachten. Paulus zijn boodschap aangaande deze zaak was overduidelijk, en zij die dit serieus namen zouden zich zonder twijfel afgevraagd hebben hoe ze bij God genade konden vinden. Maar de essentie van de boodschap die Paulus was “toevertrouwd” was “goed nieuws” (1Tess. 2:4); God had, in de persoon van Jezus Christus, voorzien in een middel om te ontkomen aan de rechtvaardige veroordeling (1Tess. 1:10; 5:9) en te delen in de heerlijkheid van de komende eeuw (Rom. 5:1). Een nieuwe mensheid, herschapen naar het beeld van Christus – een soort tweede (maar dan wel gehoorzame) “Adam”, in tegenstelling tot de eerste Adam waarvan zijn ongehoorzaamheid de oude mensheid typeert – werd voorbereid voor het leven in de nieuwe schepping (Rom. 5:14-19; 2Kor. 5:17).

Paulus sprak op verschillende manieren over de verlossing en radicale verandering die beschikbaar kwamen door Christus: rechtvaardiging was daar slechts een van. Als we onze aandacht beperken tot Paulus’ teksten over rechtvaardiging, missen we belangrijke dimensies van zijn gedachtengoed. Uiteraard geldt hetzelfde wanneer iemand deze teksten negeert of vervormt. De taal van rechtvaardiging werd niet gebruikt (hoewel er veel gezegd wordt over verlossing) in Paulus zijn correspondentie met de Tessalonicenzen. Het schijnt wel door, ook al is het incidenteel, in wat hij schreef aan de Korintiërs. Als gevolg van hun verkeerde gedrag waren ze “onrechtvaardig” geweest, net als alle anderen, en dus ongeschikt voor het Koninkrijk van God. Maar zij waren “gerechtvaardigd (verzoend, of ‘rechtvaardig verklaard’) in de naam van de Heer Jezus Christus en door de Geest van God” (1Kor. 6:9-11).

De Galaten die Paulus schreef waren ook tot geloof gekomen, maar onlangs hadden leraren hen bezocht die erop stonden dat zij zich, als Niet-Joden moesten laten besnijden en dat ze als Joden moesten leven als ze tot het volk van God gerekend wilden worden. Dat is te gek, reageerde Paulus: Waarom zou iemand zich onderwerpen aan de wetten van een verbond dat haar onderdanen verslaaft en vervloekt? In zijn redenering keerde Paulus terug naar zijn beeld van rechtvaardiging: Zondaren (dat geldt dus voor alle mensen; Joden zowel als Niet-Joden) hebben rechtvaardiging nodig, maar ze moeten inzien dat “een mens niet gerechtvaardigd wordt door (het doen van) werken van de wet, maar door geloof in Jezus Christus” (Gal. 2:16). Dat is tenslotte wat we in de Schriften lezen: “Abraham geloofde God, en dat werd hem toegerekend als gerechtigheid” (3:6).

Het beeld van verlossing dat nuttig bleek in het schrijven van de Galaten werd de kern van Paulus’ samenvatting van het Evangelie in de openingshoofdstukken van Romeinen. Mensen doen niet wat ze moeten doen, en daardoor zijn ze onderworpen aan Gods oordeel en “wraak” (Rom. 1:18-32). Het is helemaal terecht om hen eraan te herinneren wat het goede is dat zij behoren te doen, en dit was de bedoeling van de wet van Mozes (2:17-18). Als mensen dat zouden doen, dan zou God hen rechtvaardig bevinden (2:13). Maar voor mensen die bewezen hebben dat ze naar hun natuur het goede (datgene wat ze behoren te doen) niet kunnen en willen doen (en dat geldt voor alle mensen (3:10-18)) kan de wet er slechts voor zorgen dat mensen hun zonden herkennen. Het kan geen weg zijn die tot gerechtigheid leidt, want “uit werken van de wet zal geen vlees voor Hem gerechtvaardigd worden. Door de wet is immers kennis van ​zonde​.” (3:20).

Deze tekst is geen aanval op een Joods “wetticisme” – alsof mensen die drukdoende zijn met datgene wat ze behoren te doen per definitie “wettisch” zijn. De ontkenning dat de vereisten van de wet kunnen functioneren als weg tot zaligheid is echter gebaseerd op een meer radicaal beeld van de menselijke zondigheid dan de meeste Joden het zagen. Het gevolg is dat Paulus voor zondige mensenkinderen de rechtvaardigheid alleen mogelijk ziet door een geschenk van Gods genade. Hierbij maakt hij onderscheid tussen genade en werken op een manier waarvan andere Joden de noodzaak niet inzagen.

God kan met recht zondaren rechtvaardig verklaren, alleen omdat Christus hun zonden op zichzelf genomen heeft, zodat ze verzoend zijn door het offer van zijn dood. Zo’n verklaring is echter een genade geschenk, dat wel ontvangen (aangenomen) moet worden. Als mensen die vooralsnog geweigerd hebben om God te geven wat hem toekomt (1:21) hun tegenstand opgeven en hun geloof plaatsen in het verlossende werk van zijn Zoon, dan verklaart God hen rechtvaardig (3:22, 28; 5:1). Als hun geloofsbelijdenis niet zonder inhoud blijkt te zijn (1Kor. 15:2), maar volhardt in een leven dat gekenmerkt is door geloof door de beproevingen van het leven (Rom. 5:3-5; Kol. 1:22,23), dan zal het eindoordeel de eerdere verklaring bevestigen, die gemaakt werd toen ze eerst (positief) reageerden op Gods roep in het Evangelie: ze zullen gerechtvaardigd worden door het geloof (Gal. 5:5-6).

 

Ondanks de recente uitdagingen geloof ik dat zo’n begrip van Paulus’ leer van rechtvaardiging beter recht doet aan het schrijven van Paulus. Het kan niet ontkend worden door…

  • de stelling dat de mensen van de Oudheid onbezorgd waren ten aanzien van het vinden van goddelijke genade (hoe zou dat ook kunnen in de wetenschap van een onvermijdelijk oordeel?), of
  • dat dit de Joden van de eerste eeuw onterecht bestempelt als wettisch (het gaat namelijk om de zondigheid van alle mensen); of
  • dat niet-Christelijke Joden zich ook afhankelijk wisten van Gods genade (natuurlijk was dat zo, maar dan zonder dat ze de noodzaak zagen om onderscheid te maken tussen genade en werken), of
  • dat “rechtvaardigheid” betekent “lidmaatschap in het verbond” (dat was nooit zo, en zal nooit zo zijn) en
  • dat de uitdrukking “werken der wet” op de grenspalen van de Joden sloeg (het slaat namelijk op alle “rechtvaardige” daden die vereist werden door de wet als haar weg tot gerechtigheid).

 

Moderne geleerden hebben gelijk wanneer ze erop wijzen dat Paul zich pas richtte op de taal van rechtvaardiging in reactie tot de vraag of Niet-Joodse Christenen besneden moesten worden. Ze hebben ook gelijk als ze de sociale gevolgen van Paulus zijn rechtvaardigingsleer (voor wat dit in het dagelijks leven betekende) in zijn tijd benadrukken, en ze hebben de vrijheid om er sociale gevolgen uit af te leiden voor vandaag. Maar de leer van de rechtvaardiging betekent dat God zondaren rechtvaardig verklaart wanneer zij geloven in Jezus Christus. Mensen die op deze wijze rechtvaardig gemaakt zijn vertegenwoordigen de nieuwe mensheid, de mensen van Gods nieuwe schepping (Rom. 5:17-19).