Verbond en Wet

Verbond en Wet, volgens de Joodse cultuur in Paulus’ tijd.

 

In 1977 publiceerde E.P. Sanders zijn boek “Paul and Palestinian Judaism: A Comparison of Patterns of religion” (Philadelphia, 1977). Sindsdien is er ruime bekendheid met de theologie van “covenantal nomism” (verbondsmatige wetsbetrachting), dat –zo werd dus beweerd- de normale gedachtegang van de Judaïsten was.

In het kort gaat het hier om de volgende gedachtegang:

  • God heeft, in zijn genade, Israël verkozen als zijn verbondsvolk, en Hij heeft haar daarmee ook zijn wet gegeven.
  • God heeft beloofd zich aan dit verbond te houden, en Hij vereist dat het verbondsvolk in gehoorzaamheid aan zijn wet gaat leven.
  • God beloont zulke gehoorzaamheid terwijl Hij bewuste ongehoorzaamheid bestraft.
  • Door middel van verzoening biedt God een mogelijkheid om bedreven zonden te vergeven, zodat het verbond toch in stand gehouden wordt.
  • Allen die door Gods genade, gehoorzaamheid, en verzoening in het verbond blijven zullen uiteindelijk gered worden van het oordeel.

 

Sanders wilde hiermee aantonen dat de Joden in Paulus’ tijd niet wettisch waren of dachten dat ze –door eigen gehoorzaamheid- hun verlossing konden verdienen. Ze wisten zich afhankelijk van Gods genade in zijn verkiezing van Israël en in zijn verzoening. Dat wist Paulus natuurlijk ook, dus dan moeten we niet denken dat Paulus’ theologie echt anders was dan die in de heersende Joodse cultuur.

 

Mannen als Don Carson en John Piper (The Gospel Coalition) en ook Stephen Westerholm (link) hebben uit de literatuur van Paulus’ tijd aangetoond dat het toch niet zo eenvoudig ligt.

Het werd door de Joden van die tijd, bijvoorbeeld, vaak gedacht dat Gods verkiezing van Israël gebaseerd was op zijn wetenschap dat de Joden over het algemeen waardig zouden zijn voor Gods geschenk: ze zouden dankbaar zijn en gehoorzaam willen zijn aan Gods wetten. Bovendien zagen de Joden geen scherp contrast tussen Gods genade en hun goede werken in gehoorzaamheid aan de Wet van God.

 

Bij Paulus lag dat anders. Voor hem was het duidelijk geworden dat Jezus had moeten sterven omdat er niemand rechtvaardig kon zijn voor God door gehoorzaamheid aan de wet. Bovendien zou genade geen genade meer zijn als het ook maar voor een klein gedeelte gebaseerd zou zijn op menselijke gehoorzaamheid.

Toch is de theologie van “covenantal nomism” geaccepteerd door mannen die bekend stonden als orthodox gereformeerd in hun theologie. Bekende namen in Noord Amerika zijn die van John Barach, Steve Schlissel, Doug Wilson, en Norman Shepherd. Zij hebben zich met elkaar verbonden onder een theologisch perspectief met de naam “Federal Vision”. In Europa is Tom Wright bekend, en hij heeft zijn eigen versie van ditzelfde denkpatroon. Hierbij gaat het in wezen om een tweetraps verlossingsstelsel.

1 In Zijn genade heeft God families verkozen met wie hij een verbond sluit. In dat verbond geeft Hij al zijn goede zorgen en de vruchten van de kruisdood van zijn Zoon. [Hoewel we wel kunnen spreken over Gods belofte voor iedereen in het verbond wordt het problematisch als we zeggen dat iedereen in de kerk ook al al Gods zegeningen daadwerkelijk heeft apart van een waar geloof.]

2 Als Gods verbondskinderen moeten allen in het verbond Gods goede gaven in geloof aannemen in het bewustzijn dat ze, als zondaren, zijn genade niet verdiend hebben. Als ze dan Gods (morele) wet serieus nemen, daarnaar willen leven, en niet in zware zonden vervallen, dan mogen ze in vertrouwen vragen om vergeving op grond van Christus’ offer aan het kruis.

In eerste instantie zijn allen die gedoopt zijn verlost (omdat ze bij Gods volk horen); deze verlossing wordt uiteindelijk echter pas werkelijkheid in iemand als –en alleen als- blijkt dat hij/zij naar Gods wet geleefd heeft. Dit klinkt heel aantrekkelijk voor gereformeerde oren. Wij hebben van jongs af wellicht geleerd dat we, in de (kinder)doop al Gods genadegaven ontvangen hebben en verlost zijn voor het oordeel. We horen graag over het gemeenschappelijke in het verbond, waarin we de belofte centraal staat. Maar elk verbond heeft een belofte en een eis, dus moeten we er nu dan ook naar leven.

Aanvankelijk vond ook ik deze gedachtegang aantrekkelijk. Mijn vrouw en ik dachten in onze jonge jeugd dat we in onze doop en kerklidmaatschap alles al gekregen hadden door het offer van Christus. We werden gezien als gelovige en bekeerde Christenen; nu moesten we er zelf aan werken om naar Gods wetten te leven en ons te houden aan de regels van de ware kerk.

 

Dat geeft gemakkelijk een vertekend beeld, want het lijkt erop dat onze uiteindelijke verlossing dan toch afhangt van onze wetsgehoorzaamheid. Afgezien van de vraag of de Oud-Testamentische Wet wel onze richtlijn of zelfs motivatie moet zijn in de Nieuw-Testamentische gemeente, lijkt het er toch op dat “wij nu iets moeten doen” om onze verlossing te verzekeren. Dat kan er dan weer gemakkelijk toe leiden dat mensen deze wet “willen naleven” omdat het moet. Augustinus waarschuwde al dat een leven naar Gods regels nooit uit morrend plichtsbesef moet gebeuren; daar ligt namelijk geen heil in! Alleen in mensen, die -gedreven door de inwonende Heilige Geest- Christus centraal stellen en niets liever willen dan hem in gehoorzaamheid te dienen, vinden we de vruchten van een waar geloof.

Maarten Luther, in zijn voorwoord tot Paulus’ brief aan de Galaten schreef: “Dus, hoeven wij dan niets te doen om rechtvaardig te worden voor God (om door Hem geaccepteerd te worden)? Nee, helemaal niets! Want deze rechtvaardigheid verkrijgen wij niet door ons doen, horen, of weten, behalve dan te weten en te accepteren alleen dit feit: dat Christus aan Gods rechterhand zit, niet tot ons oordeel, maar als onze Wijsheid, Rechtvaardigheid, Heiligheid, en Verlossing!”

 

Dit is het wonder van Gods genade dat het Christelijk geloof radicaal anders maakt dan andere “religies”, waar verlossing, bevrijding, of nirwana verworven moeten worden door goede werken te doen of rituelen na te volgen. Veel mensen lopen vast door keihard te werken om de goedkeuring van vader, man, baas, of directeur te verwerven. Wanneer we Gods liefde leren zien en ervaren kunnen we pas de vrijheid krijgen die Jezus in zijn Woord belooft.

 

Toen wij in Zuid Ontario woonden waren er verscheidene predikanten (in ons gereformeerde kerkverband) die wilden benadrukken dat Gods genade geen ruimte laat voor onze goede werken. God heeft ons (die opgroeiden in gereformeerde gezinnen) al het goede al gegeven (zoals bevestigd werd in onze doop), en het kan dus niet van ons afhangen wat onze uiteindelijke bestemming zal zijn.

Ook als onze oudere kinderen nooit meer in de kerk zouden komen en in zonde zouden leven, dan nog konden we op Gods vaste beloften voor hen vertrouwen. Zelfs als zij ontrouw zouden zijn, dan blijft God toch nog trouw, en daardoor ligt hun bestemming vast.

Zoals ik al eerder opmerkte is dit soort verbondsautomatisme on-Bijbels en kerkverwoestend. Genade duidt op Gods geschenk: het is gratis! Maar, het is niet goedkoop: Christus’ lichaam werd ervoor verbroken; zijn bloed vergoten! Er moet wel degelijk iets gebeuren nadat we de kinderdoop ontvangen hebben; als er waar geloof is dan zie je dat ook: in veranderde harten en een radicale veranderingen in de prioriteiten van het leven.

Tim Keller, in een preek over Galaten 1:6-12 zegt* (in mijn eigen woorden): “Conservatieve kerken én vrijzinnige kerken kunnen gemakkelijk de Gospel-boot missen. In de eerste soort moet het dagelijkse Christelijke leven beheerst worden door wetsbetrachting om onze verbondsplichten na te komen. Hier worden alle andere kerken bekritiseerd, vaak uit angst voor kritiek van anderen.  Er heerst geen liefde en verdraagzaamheid, want harten zijn niet veranderd door de Blijde Boodschap. In de tweede soort wil men niemand bekritiseren. Ook zonder geloof in Christus moeten “goede mensen” (door hun goede daden dus) behouden kunnen worden. Paulus zegt dat deze instellingen het Evangelie op zijn kop zetten, en daarom is hij hevig ontzet over deze zaak. De brief aan de Galaten is de enige brief waarin Paulus na de aanhef God niet dankt voor het geloof van zijn lezers. De gemeenschap daar dreigt, nadat zij het Evangelie met blijdschap hadden ontvangen, te verpieteren door een giftige dwaling.”

 

De meeste kerkgemeenschappen in Nederland zijn wellicht niet meer zo conservatief, maar ik vraag me wel af of veel kerken en hun leden en leiders niet zó moe zijn van de strijd over een hele lijst van dogmatische verschillen, dat ze nu een gemakkelijke prooi worden voor het vrijzinnige vergif van Satan.

Overal merk ik dat gereformeerden in alles samen willen doen met “andere Christenen”, zoals Rooms-Katholieken. Toch zag Luther een heel belangrijk verschil, en volgens mijn leraren en mij is dit hetzelfde verschil dat Paulus hevig ontsteld maakte tegenover de Galaten. En nu lijkt het, 500 jaren na Luther, erop dat dit gemakkelijk overboord gegooid wordt, alsof het er allemaal in wezen niet toe doet.

*Controversy, preek over Gal. 1:9-12, 10 mei, 1997  in “New Freedom, New Family”, een prekenserie van Timothy Keller

http://www.gospelinlife.com/galatians-new-freedom-new-family

 

Jack Frost – Experiencing the Father’s Embrace

(Je kunt de neiging hebben om hem in de eerste tien minuten uit te schakelen, maar blijf erbij: het is de moeite waard!)

https://www.youtube.com/watch?v=qFByVMXxWMg

https://www.youtube.com/watch?v=Txdxv3Syw-c#t=7.730348

 

Stephen Westerholm, “Justification Reconsidered”

http://depoarte.org/?page_id=395