Jij bent mijn vreugde: de grootste beloning van evangelisatie

John Piper heeft vaak gezegd: ‘mijn vader is de gelukkigste man die ik ken’.

Zijn vader was een evangelist, die door het land reisde en in plaatselijke kerken en op opwekkingsconferenties sprak. Hij was een Billy Graham in het klein. Hij bad en werkte veel om de eindjes aan elkaar te kunnen knopen. Toch was hij ontzettend gelukkig. John vroeg eens aan zijn vader: ‘pap, wat is volgens jou de sleutel voor een gelukkig leven?’ Zijn vader aarzelde geen moment: ‘iemand over Jezus vertellen’.
Dat was niet het antwoord dat hij verwachtte, maar wat hij zei was eigenlijk heel vanzelfsprekend: ‘ontvang en stroom over – daar ben je voor gemaakt – om Gods onvoorstelbare genade eerst te ontvangen en daar vervolgens iemand anders over te vertellen.

Iedere minuut het waard

Om evangelisatie hangt de geur van moeilijkheden en natuurlijke weerstand: pijnlijke momenten, moeilijke gesprekken, zelfs groffe antwoorden.
Toch zijn die blokkades en weerstanden juist de zaken die evangelisatie tot zo’n dankbaar werk maken.
Als God ons de middelen geeft om het evangelie in alle duidelijkheid uit te dragen worden we daar in geestelijk opzicht voor beloond, ook al wordt onze boodschap verworpen.
Dat geldt zowel het incidentele getuigen als het iemand in het christelijk geloof verder onderwijzen. Bij dat laatste geldt het misschien nog wel meer. Die kosten immers in de regel meer tijd en energie.
De Grote Opdracht van Jezus aan de kerk is om zowel te dopen als te onderwijzen. ‘Dopen in de naam van de Vader, de Zoon en de heilige Geest’ vormt een eenmalige evangelisatie gebeurtenis, terwijl ‘hun leren dat ze zich moeten houden aan alles wat Jezus opgedragen heeft’ een proces is waarbij een jonge gelovige wordt begeleid in zijn gang naar volwassen geloof (Hand.28:19-20).
Beide hebben hun eigen moeiten en beiden kennen hun eigen opmerkelijke en onvervangbare verrijkende beloning.


Vreugde in het evangeliseren

God beloont royaal de inspanningen van het evangeliseren en bezorgt ook opmerkelijke vreugde aan hen die getuigen, op zo’n manier dat het de noodzakelijke kosten ver overtreft.
God geeft unieke vreugde als wij onze harten openen voor het geestelijke welzijn van onze naasten.
Paulus schrijft: ‘Want wie is onze hoop en vreugde? Wie is onze erekrans wanneer we voor Jezus, onze Heer, staan bij zijn komst? Wie anders dan u? Ja, u bent onze eer en vreugde’ (1 Tess.2:19–20). Dat zouden we van Paulus misschien niet verwacht hebben.
Wat is Paulus zijn eer en zijn erekrans bij Jezus’ terugkeer? Dat zijn de Tessalonicenzen. Hoe bestaat het? Waarom niet Jezus zelf?
Wat evangeliseren de kosten meer dan waard maakt is dat zij in wie wij investeren, op een echte en God verheerlijkende manier, onze eer en onze vreugde worden.
En zulk een zoet smakende vrucht op onze inspanning vormt geen tegenstelling met onze vreugde in Jezus, maar vormt er een soort vervolmaking van. Mensen tegenover wie wij van het evangelie getuigen zijn geen vijanden van onze vreugde in Christus, maar een uiting van onze vreugde in Hem.


Onuitsprekelijke vreugde

Als je je misschien verwonderd afvraagt of Paulus in 1 Tess.2 niet wat overdrijft als het gaat om zijn vreugde in de mensen, kijk dan eens hoe hij in de volgende verzen hierop doorgaat.
Hij heeft het over ‘het goede bericht’ – bekende woorden van de apostel – ‘over het geloof en liefde van de Tessalonicenzen’ (1 Tess.3,6). ‘Goed nieuws’ – evangelie. Een hele opvallende reactie van Paulus over de vreugde die hem overvalt als hij te horen krijgt dat het met de mensen in Tessalonica geestelijk goed gaat. Het komt bij hem binnen als een soort evangelie.
‘Nu opnieuw blijkt dat de Heer uw fundament is, leven we weer op’(1 Tess.3:8). Weer een opvallende woordkeuze.
Zijn vreugde is zo nauw verbonden met de mensen in wie hij geïnvesteerd heeft dat een deel van zijn leven afgestorven lijkt te zijn als hun geestelijk vuur uitgedoofd zou zijn – maar ‘nu leeft hij weer op’, nu hij gehoord heeft dat het hen in Christus goed gaat.
Het rapport over hun geestelijke leven bezorgt hem een vreugde die maar moeilijk in woorden is uit te drukken.
Nog een keer, dit is heilige (geen zelfverheerlijkende) vreugde, van de apostel die zijn rug niet naar God toekeert, maar zijn aanwezigheid zoekt: ‘Kunnen we God ooit genoeg voor u danken?’ (1 Tess.3:9).
Paulus zijn hart is zo verbonden met dat van de mensen in Tessalonica dat het bij ons ongemakkelijk aanvoelt of misschien hebben te weinig van ons daar ervaring mee.

Alle vreugde die we ervaren

De apostel heeft het in 1 Tess.3:9 over ‘de vreugde die hij ons met u geschonken heeft’. Hij ervaart een soort van vreugde – een vreugde in God en niet apart van God – die hij anders niet zou ervaren zonder de moeiten en de persoonlijke band met de mensen daar.
Paulus schrijft niet zo krachtig en specifiek over zijn vreugde als hij brieven stuurt naar mensen die hij niet ontmoet heeft (bijv. de Romeinen en de Collossenzen).Maar als zijn inspanning persoonlijk was, vooral ook in moeilijke omstandigheden (zoals in Tessalonica, Hand.17:1-9), dan ervaart hij een soort vreugde – vreugde die (God) ons met u geschonken heeft’ – die hij anders niet zou ervaren

Geen grotere vreugde

Tenslotte, de apostel Johannes schrijft: ‘Niets verheugt mij meer dan te horen dat mijn kinderen de weg van de waarheid volgen’. (3 Joh.,4).
Niets verheugt hem meer… hoe kan hij dat zeggen? Omdat dit precies is zoals Jezus het gezegd zou hebben. Dit is wat de vreugde in Jezus uitwerkt: het groeit en spant zich uit om anderen binnen te halen.
Niets verheugt meer, dat betekent niet dat Jezus minder is dan onze grootste vreugde, maar dat de manier waarop Hij onze grootste vreugde is niet naar binnen gericht en afgezonderd van anderen, is, maar dat het om een vreugde gaat die anderen er bij wil trekken – dat onze vreugde groter wordt wanneer we ons inzetten om te evangeliseren onder mensen voor een langere tijd en te zien hoe God werkt om groei te geven.
Evangeliseren vraagt inderdaad wat van ons en is ingesteld door God tot een – als het tenminste op een gezonde manier gebeurt – veel vreugde opleverende zaak. Het is geen gemakkelijk maar moeilijk werk. Maar het zal je rijkelijk belonen, met een vreugde die we anders niet zouden ervaren apart van Gods werk in en door ons in mensen te laten delen ‘in ons eigen leven’ (1 Tess.2:8) met anderen.