Een miserabele trooster: twee manieren om in contact met lijden(den) te falen

Mensen met pijn zeggen vaak pijnlijke dingen.
Acute pijn, of het nu fysiek of psychisch is, is geen uitgebalanceerde ervaring.
Het is een overheersende ervaring.
Zulk een pijn dringt zich op aan waar we op dat moment mee bezig zijn en verstoort bijna altijd ons waarneming.
Als het dat doet zijn we geneigd om dingen te zeggen die we anders nooit zouden zeggen en op een manier waarop we het anders nooit zouden doen.
Voor iedere trooster is het dan ook cruciaal om onderscheid te maken tussen boze, verbitterde of wanhopige woorden die uit het diepste innerlijk van een aangevochten persoon komen (zijn of haar diepste overtuigingen en geloof), of van zijn of haar innerlijke pijn (een bittere pijn die tijdelijk iemands waarneming verstoort).
Tussen deze twee zit een groot en belangrijk verschil.

Gekweld worden door bittere pijn

Het boek Job vormt een treffend voorbeeld over hoe een echte verzoeking voelt en onze waarnemingen verstoort.
Job’s boze kreten zijn rauw en echt.
Ze zijn angstaanjagend.
Als Job’s vrienden, Elifaz, Bildad, and Zofar, bij hem komen om ‘hun medeleven te tonen en hem te troosten’ (Job 2:11), uit deze ‘rechtschapen en onberispelijke man die ontzag voor God heeft en het kwaad mijdt’ (Job 1:1) zijn wanhoop als volgt:
 ‘Laat de dag dat ik geboren ben vergaan, en ook de nacht die zei: “Een jongen is verwekt’ (Job 3:3).
 ‘Waarom ben ik niet in haar schoot gestorven, niet gestikt toen ik ter wereld kwam! (Job 3:11).
 ‘Of was ik maar als een misgeboorte weggestopt, als een kind dat het licht nooit heeft gezien’ (Job 3:16).
 ‘Waarom geeft God het licht aan ongelukkigen, het leven aan verbitterden? Zij wachten op de dood die uitblijft, ze zoeken naar hem, meer dan naar schatten’ (Job 3:20–21).
‘De doden zijn beter af dan ik; ik wilde dat ik nooit geboren was’… er zit niet veel evangelie in die waarneming.
Er wordt geen dankbaarheid uitgesproken over eerdere zegeningen van God, of geloof beleden dat God misschien hogere, verborgen doelen heeft die op een later tijdstip een nu nog onbekend goed uitwerken.
Alleen maar horror.
Getuigen deze woorden nauwkeurig van Job’s diepste geloof?
Nee.
Zoals David in psalm 22:1 en Heman de Ezrachiet in psalm 88:14, zijn Job’s woorden kreten van pijn.
Net als etter uit een infectie druppen ze uit de wonden op Jobs’ lichaam (Job 2:7–8) en uit de wonden aan zijn ziel.

Een miserabele trooster zijn

Het boek Job is ook een voorbeeld over hoe je niet moet troosten.
De drie troosters staan bekend om hun foutieve theologie (Job 42:7) en geestelijk-lichamelijk miserabele troost (Job 16:2).
Ze hadden een al te simplistische verklaring van het kwaad: God beloont rechtvaardigheid met welvaart en zonde met straf.
Dat resulteerde in een verkeerde diagnose van Jobs’ geestelijke situatie: ‘Komaan Job, belijd je geheime zonde.’
Jobs’ oordeel was treffend: ‘niets dan ellende brengt mij jullie troost’ (Job 16:2).
Verschillende zaken maakten deze mannen tot slechte troosters, maar we pikken er twee specifieke fouten uit die ook wij zomaar maken: verkeerd toegepaste waarheid en terechtwijzing tijdens ziekte.

Verkeerd toegepaste waarheid

Sommige dingen die deze mannen zeiden waren theologisch gesproken correct.
Elifaz is daar een goed voorbeeld van — Paulus citeert hem zelfs als hij een brief aan de gemeente in Korinte schrijft (Job 5:13; 1 Kor.3:19).
Elifaz was de eerste om Job te troosten. Naast andere dingen die hij aanroerde, zei hij het volgende: ‘Gelukkig de mens die door God wordt getuchtigd, wijs daarom de straf van de Ontzagwekkende niet af! Want hij verwondt en hij verbindt, hij slaat en zijn handen genezen’ (Job 5:17–18)
Zo gezegd is dit duidelijk waar.
In de Psalmen, Spreuken, Hosea en de Hebreeënbrief kom je hetzelfde tegen:
• ‘Welzalig de man die U bestraft, HEERE’ (Psalm 94:12 (HSV).
• ‘Mijn zoon, een berisping van de HEER mag je nooit terzijde schuiven, zijn bestraffing moet je zonder afschuw ondergaan, want de HEER straft wie hij liefheeft, zoals een vader die houdt van zijn zoon’ (Spreuken 3:11–12; Hebreeën 12:5–6).
• ‘Kom, laten wij teruggaan naar de HEER ! Hij heeft ons verscheurd, hij zal ons genezen; de hand die sloeg, zal ons verbinden’(Hosea 6:1).
Maar hoewel de uitspraak van Elifaz op zichzelf goed was, was hij niet terecht.
De context (Job 3–4) maakt duidelijk dat Elifaz aannam dat Jobs verwondingen te danken waren aan Gods genadige terechtwijzing over geheime zonden waar hij zich van moest bekeren (Job 4:7–8).
Maar Elifaz’s aanname was verkeerd.
Het is waar dat Gods corrigerende bestraffing bevrijding bewerkt.
Maar Job’s lijden was geen corrigerende bestraffing van God (Job 1:6–12).
Elifaz paste deze waarheid verkeerd toe en beschadigde op die manier Job.
Wij moeten heel zorgvuldig zijn.
Aannames, die hetzij voortkomen uit het vooroordeel van onze ervaring, hetzij uit de onwetendheid van onze onervarenheid, kan leiden tot het verkeerde inschatten van een probleem en het verkeerd toepassen van bijbelse waarheden.
Dat leidt alleen maar tot belediging van iemand die toch al gewond is.


Terechtwijzing tijdens ziekte

Job zelf brengt de tweede mogelijke fout zo onder woorden: ‘Nemen jullie me mijn woorden kwalijk? Is mijn vertwijfeld spreken voor jullie niets dan wind?’ (Job 6:26).
Job’s troosters hoorden zijn rauwe, onevenwichtige, gefrustreerde, hopeloze en verbijsterende woorden en schreven hem een goede dosis correctie voor.
Terechtwijzing vormt een barmhartig medicijn bij een geestelijke probleem (2 Tim.4:2), omdat misvattingen in het geloof levens kunnen beschadigen.
Maar terechtwijzing bij bitter lijden is zout in de wond strooien, omdat de woorden van degene die lijdt een schreeuw om verlossing inhoudt – door Job als ‘vertwijfeld spreken’ en ‘wind’ bestempelt – en niet een uiting van geloof.
Het is gemakkelijk om Job’s troosters te bekritiseren omdat wij, in tegenstelling tot hen, het voordeel hebben dat we het totaalplaatje kunnen overzien.
Maar hoe vaak hebben we in het echte leven niet dezelfde fout gemaakt en kwamen we bij ziekte met een terechtwijzing?
Ik denk dat ik dit het meest in de opvoeding heb gedaan.
Ik heb vaak een kind snel terechtgewezen omdat hij boze, verdedigende of beschuldigende woorden gebruikte.
Ik nam aan dat ze uit een rebellerend jonge mensen hart kwamen om er later achter te komen dat er verdriet en een vraag om hulp achter zat.
Waar ik haastig terechtwees had ik moeten aankomen met zorgvuldige, geduldige, genadige, vriendelijke, verdraagzame, dienstbare, meer luisterende dan sprekende liefde.

Goede troosters zijn geduldig

Onderscheid maken tussen woorden vanuit bittere pijn en woorden vanuit een geestelijk probleem is niet gemakkelijk.
De menselijke geest is complex en opgelopen wonden zijn ingewikkeld.
Geoefende artsen zijn niet haastig.
Geoefende psychiaters ook niet.
Ze zijn ‘haastig om te luisteren, maar traag om te spreken’ (Jak.1:19).
Ze ‘denken na voordat zij antwoorden’ (Spr.15:28).
Als geoefende troosters spreken, spreken ze passende (Spr. 25:11), energie gevende (Spr.10:11), zorgzame (Spr.10:21), wijze (Spr.10:31), en terughoudende woorden (Spr.17:27).
Geoefende trooster worden kost tijd.
Maar als we bereid zijn om geduldig en verdraagzaam te zijn (1 Kor.13:4, 7), en niet blind op ons eigen inzicht af te gaan (Spr.3:5), zullen we waarschijnlijk de fouten van Job’s troosters voorkomen.
Want het is waar: pastorale zorg bieden en niet iemand die pijn lijdt terechtwijzen vormt het doel van onze liefde.