H.1 Bijbelse Complementariteit

Hoofdstuk 1

EEN VISIE VAN BIJBELSE COMPLEMTARITEIT

Man-zijn en vrouw-zijn gedefinieerd naar de Bijbel

Moeder

Toen ik als jongen opgroeide in Greenville, South-Carolina was mijn vader ongeveer twee-derde van het jaar van huis. En terwijl hij preekte door het land baden wij- mijn moeder, mijn oudere zus, en ik. In die dagen leerde ik mijn moeder kennen als een alles-kunnende vrouw.

Zij regelde de geldzaken: ze betaalde de rekeningen en regelde zaken met banken en crediteuren. Eens had ze een kleine wasserij als bijverdienste. Ze was actief in het parkbestuur, ze was inspecteur voor een afdeling van onze kerk, en ze regelde enkele investeringen in onroerend goed.

Ze leerde me hoe ik het gras moest maaien, hoe ik elektrisch snoer moest splitsen, hoe ik kweekgras bij de wortels uit de grond moest trekken, hoe ik de dakranden moest verven, hoe ik de eettafel moest laten glimmen met een zeemleer, hoe ik moest auto rijden, en hoe ik ervoor moest zorgen dat de patat niet slap werd in de frituurvet. Ze hielp me met kaarten in aardrijkskunde en liet me zien hoe ik een bibliografie moest opzetten en een science-project in statische elektriciteit moest verwerken en ze overtuigde me dat Algebra-bovenbouw te doen was. Toen we een basement lieten aanleggen besprak ze de zaken met de aannemers, en meer dan eens sloeg ze zelf de hand aan de schep. Ik stond er nooit bij stil dat er iets zou kunnen bestaan dat mijn moeder niet kon doen.

Ik hoorde eens dat vrouwen niet zweten, ze gloeien. Klopt niet. Mijn moeder zweette. De druppels vielen van het puntje van haar lange, scherpe neus. Soms blies ze de druppels van haar neus, bijvoorbeeld als ze met haar handen een kruiwagen vol met turfstrooisel voortduwde. Of ze veegde ze af met haar mouw tussen de zwaaien met de zeis. Moeder was sterk. Ik herinner me haar armen nu nog, na dertig jaar. Ze waren groot, en in de zomer waren ze gebronsd.

Toch dacht ik er nooit over om vader en moeder in dezelfde categorie te plaatsen. Beiden waren sterk. Beiden waren slim. Beiden waren vriendelijk. Beiden kusten me en van beiden kreeg ik klappen. Beiden konden goed spreken. Beiden baden met ernst en ze hielden van de Bijbel. Toch was het overduidelijk dat vader een man was en moeder een vrouw. Zij wisten dat, en ik wist het ook. En dit was niet voornamelijk een biologisch gegeven. Het was voornamelijk een zaak van identiteit en omgang.

Wanneer mijn vader thuis kwam was hij duidelijk het hoofd van de huishouding. Hij leidde in het gebed aan tafel. Hij riep het gezin samen voor tijden van godsdienstoefening. Hij bracht ons naar zondagsschool en naar de eredienst. Hij bestuurde de auto. Hij leidde het gezin naar hun zitplaatsen. Hij maakte de beslissing om met lunch naar Howard Johnson’s (restaurant) te gaan. Hij leidde ons naar onze tafel. Hij riep de bediende. Hij betaalde de rekening. Hij was degene, wisten we, waar we mee te maken kregen als we een gezinsregel overtraden of Moeder niet respecteerden. Dit waren de tijden van grote vreugde voor Moeder. Ze was zo blij als Papa thuis was! Ze hield van zijn leiding. Later ontdekte ik dat de Bijbel dit “onderwerping” noemt.

Omdat mijn vader meestal van huis was deed Moeder dus ook die leiderschapsdingen in het gezin. Daardoor kwam de gedachte nooit in me op dat leiderschap en onderwerping ook maar iets te doen had met meerwaardigheid of minderwaardigheid. En het had ook niets te maken met spieren of vaardigheden. Het was niet een zaak van bekwaamheden. In feite zou ik het als een kind niet hebben kunnen uitleggen. Het kostte me trouwens best een lange tijd voordat ik begreep dat het een onderdeel is van Gods grote goedheid in dat hij ons als man en vrouw geschapen heeft. Het had met iets dieps te maken. Ik weet dat het levensritme in ons gezin niet de enige goede was. Maar er bestonden daar dimensies van werkelijkheid en goedheid die in elk goed huisgezin behoorden aanwezig te zijn. Inderdaad, ze zouden op verschillende wijzen moeten bestaan in alle volgroeide relaties tussen mannen en vrouwen.

Ik zeg “zouden moeten bestaan” omdat ik nu begrijp dat ze gegrond waren in God. Door de jaren heen heb ik leren inzien vanuit de Schrift en het leven dat man-zijn en vrouw-zijn een wondermooi werkstuk is van een goede en liefhebbende God. Hij ontwierp onze verschillen en die zijn diepgaand. Het gaat hier niet alleen maar over fysiologische noodzakelijkheden voor seksuele eenheid. Ze gaan door tot de wortel van onze persoonlijkheid. Dit hoofdstuk probeert enkele van deze verschillen te definiëren zoals God die bedoelde volgens de Bijbel.

Naar de Bijbel

 

Wat bedoel ik met “naar de Bijbel”? De ondertitel is “Man-zijn en vrouw-zijn gedefinieerd naar de Bijbel.” Daarmee bedoel ik dat ik alle moeite gedaan heb om de gedachtegang van dit boek in overeenstemming te brengen met het Bijbels onderwijs. Tegelijkertijd, echter, heb ik niet geprobeerd om voor elke stelling een gedetailleerd exegetische betoog te geven.

Drie hoofdredenen lijken deze benadering te rechtvaardigen:

Ten eerste leek het -in overeenstemming met de bedoeling van dit schrijven- het beste om de Bijbelse visie van man-zijn en vrouw-zijn zo duidelijk en beknopt mogelijk te houden, en de uitgebreide technische discussie later (of elders) uit te werken. Via artikelen en preken heb ik getracht de Bijbelse grondslag verder te onderbouwen.

Ten tweede heb ik geprobeerd genoeg Bijbelse argumentatie in te sluiten om aan te tonen waarom ik geloof dat de visie van man-zijn en vrouw-zijn inderdaad “naar de Bijbel” is. Ik hoop dat het duidelijk zal zijn dat mijn reflecties niet de producten zijn van een onafhankelijke geest, maar de vrucht van een boom die sterk geworteld staat in de grond van voortdurende overdenking van het Woord van God.

 

Ten derde, door de ervaring heb ik geleerd dat dat er twee manieren bestaan om een visie (van man-zijn en vrouw-zijn) aan te bevelen. De ene geeft rationele argumenten over feitelijke gegevens. Zo kan het zijn dat een evangelisch Christen wil weten, “Leert de Bijbel inderdaad deze visie over man-zijn en vrouw-zijn?” Hier kunnen we de visie verdedigen door geduldige, gedetailleerde, en nauwgezette exegetische bewijsvoering.

Er bestaat ook een andere methode. Iemand wil ook weten, “Is de visie mooi, bevredigend, en vervullend? Kan ik er mee leven?” Dit zijn geen verkeerde vragen. Het aanbevelen van Bijbelse waarheid vereist meer dan het zeggen, “Doe dit omdat de Bijbel het zegt.” Dit soort aanbeveling kan leiden tot een soort gehoorzaamheid dat niet van harte is, en het kan met zo weinig vreugde en hartelijke instemming gepaard gaan dat God er geen behagen in schept.

 

Dus, er ligt een tweede taak om mensen te winnen voor deze visie. We kunnen niet volstaan met een diepgaande exegese; we moeten het ook laten zien als een visie die niet alleen het verstand maar ook het hart bevredigt; het gaat om de schoonheid én de waarheid van de visie. We moeten iets laten zien dat niet alleen waar is maar ook goed. Het is niet alleen waar, maar ook waardevol, niet slechts geldig maar ook geweldig.

 

Dit schrijven valt voornamelijk in de tweede categorie. Het is ontworpen om aan te tonen dat onze visie van man-zijn en vrouw-zijn een diep-bevredigende genadegave is van een liefdevolle God die het beste voorheeft met zijn schepselen. Deze visie is niet benauwend of bedrukkend. Het leidt niet tot trots of eigenwaan. Het sluit aan bij Gods ontwerp voor ons. Daarom geeft het een diepgaande voldoening.