Zwijgen in de Kerken

D.A. Carson over één van de zgn. zwijgteksten[1] (een verkorte vertaling)

Inleiding

1 Kor. 14: 33 (… God is niet een God van wanorde maar van vrede.) Zo is het in alle gemeenten van de heiligen.

34 Vrouwen moeten gedurende uw samenkomsten zwijgen. Ze mogen niet spreken, maar moeten ondergeschikt blijven, zoals ook in de wet staat. 35 Als ze iets willen leren, moeten ze het thuis aan hun man vragen, want het is een schande voor een vrouw als ze tijdens een samenkomst spreekt.

36 Heeft het woord van God zich soms verspreid vanuit uw gemeente? Of heeft het enkel u bereikt?

 

De interpretatie van dit Bijbelgedeelte is zeker niet eenvoudig. Het probleem ligt hierin dat in 1 Kor. 11:2-16 Paulus geen probleem heeft met vrouwen die bidden en profeteren, ook al is het met zekere restricties; maar hier lijkt het er in eerste instantie op dat vrouwen absoluut niets mogen zeggen. Er zijn ‘legio’ oplossingen aangedragen ;). Ik kan dus slechts een beperkt aantal ervan noemen, waarbij ik dan een paar zorgen over uitspreek voordat ik de interpretatie geef die ik het beste vind passen in de Bijbelse context en exegetisch ook meest zeker vindt.

De afbakening van het tekstgedeelte heeft enige verklaring nodig omdat er onenigheid is over de vraag waar 33b (Zo is het in alle gemeenten van de heiligen.) op slaat. Uiteindelijk is het het beste als we het omschrijven als “en dit principe moet ook in uw kerk gebruikt worden, net als in alle andere gemeenten.” Ik neem aan dat dit ook geldt voor wat volgt (namelijk dat vrouwen moeten zwijgen), maar als iemand daar niet de voorkeur aan geeft is dat ook prima, want dat heeft geen gevolg voor de interpretatie van de volgende verzen.

De Tekstkritische Vraag

Een aantal geleerden hebben opgemerkt dat het bewijs dat deze verzen –of een gedeelte ervan- bij de oorspronkelijke tekst hoorden tamelijk ingewikkeld is, en hebben daarom aangenomen dat het om een later toegevoegde kattekening gaat, die niet van belang is voor het bepalen van Paulus zijn theologie. Tamelijk veel van deze schrijvers behandelen alle teksten waar vrouwen ook maar enigszins beperkt worden op dezelfde manier. De échte Paulus, zo zeggen ze dan, is de schrijver van teksten zoals 1 Kor. 11:2-16 en Galaten 3:27 e.v.  Ik moet bekennen dat ik altijd verbaasd sta over de energie en creativiteit die besteed wordt om Paulus te verlossen van zichzelf om hem daarmee aan te passen aan ons denkbeeld. Hoe dan ook, er is nagenoeg geen exegetische aanleiding om deze teksten te ontkrachten als kanttekeningen omdat ze in vrijwel alle Bijbelse bronnen voorkomen.

[Carson gaat verder uitgebreid in op de redenen waarom Fee[2], in zijn verklaring, het gedeelte ziet als een latere invulling door een andere schrijver. Uiteindelijk, hoewel hij vol respect is over de expertise van deze schrijver en de algemene kwaliteit van zijn verklaring, blijft hij van mening dat Fee hier slechts zwakke argumenten te berde kan brengen.]

Onbevredigende Interpretaties

 

1          Sommigen zien het zwijggebod als absoluut. Een aantal hiervan stellen voor dat 11:2-16 slechts van toepassing is op de situatie van beperkte groepen, terwijl 14:33b-36 dan geldt voor de openbare vergadering. Carson vindt deze interpretatie onwaarschijnlijk omdat voor Paulus profetie vooral een openbaring van God is die bezorgd wordt door gelovigen in de context van de kerkelijke vergadering, waar die dan beoordeeld kan worden (14:23-29). Bovendien maakten de eerste Christenen geen onderscheid tussen kleine en grote groepen, omdat de meeste kerken huisgemeenten waren. De taal van 11:16 wijst er ook op dat het hier gaat over een kerkelijke aangelegenheid.

[Carson noemt nog een aantal redenen waarom hij concludeert dat deze interpretatie niet bevredigt.]

2          Anderen zien hier een tegenstijdigheid die er verder niet toe doet. Dit heeft uiteraard gevolgen voor de dogmatiek van de hele Bijbel, maar het is ook ongeloofwaardig dat Paulus zichzelf zo nadrukkelijk zou tegenspreken in de ruimte van slechts enkele bladzijden.

3          Kählers opvatting is net zo ongeloofwaardig, waar hij (?) denkt dat Paulus eigenlijk wilde beweren dat vrouwen niet ondergeschikt moesten zijn aan mannen maar aan de vorm van eredienst die hij vestigde. Dan moeten we ons toch afvragen waarom hij hier alleen de vrouwen zou noemen; hoefden mannen zich dan niet te onderwerpen aan de kerkelijke structuren die Paulus voorstelde? Bovendien heeft het (Griekse) werkwoord voor “onderwerpen” en “ondergeschikt” gewoonweg betrekking op personen en niet op ordes, procedures, of instellingen.

4          Het is tot Fiorenza haar eer als ze stelt dat de achterliggende reden voor vele opvattingen gebaseerd is op een theologisch vooroordeel, dus ze is bereid om Paulus zichzelf te laten zijn. Wat de beperking dan mag zijn, ze denkt dat het slechts over (getrouwde) vrouwen gaat. Tenslotte laat Paulus in 1Kor. 7 zien dat hij een “ascetische voorkeur geeft aan de ongehuwde staat”: daarom lijkt het dat Paulus hier burgerlijke morele ideeën overneemt, niet als absolute maar als conventionele waarden.” Zij vindt Paulus’ houding merkwaardig omdat we in het NT ook lezen over zendelingsechtparen. Paulus, zo stelt ze voor, weet dat zijn argument belachelijk lijkt, en daarom verwijst hij voor zijn regels naar de autoriteit van God.

Ik moet toegeven dat ik de gedachte niet kan onderdrukken dat Fiorenza haar exegese ons meer zegt over haarzelf dan over Paulus.

5          Nog een groep interpretaties redeneert dat Paulus’ eis voor stilte slechts plaatselijk van toepassing zijn, om dogmatische of culturele redenen. We kunnen het argument dat sommige vrouwen te luidruchtig waren niet serieus nemen, want waarom zou Paulus dan alle vrouwen het zwijgen opleggen. En waren er dan geen luidruchtige mannen? Het is ook niet aannemelijk dat de vrouwen het zwijgen werden opgelegd omdat ze ongeschoold waren; we moeten ons afvragen waarom Paulus dan niet ongeschoolde mensen het zwijgen oplegt, in plaats van de vrouwen. En omdat Paulus’ regel werkt in alle kerken (v. 33b-34), dan moet het zo zijn dat alle Christelijke vrouwen in die tijd ongeschoold waren, en dat is klinkklare onzin.

Een beter doordachte variatie op deze benadering redeneert dat Paulus specifiek ingaat tegen vrouwen die zich niet aan de regel van vers 29 wilden houden en in allerlei dwalingen vervielen.

Toch is niets overtuigend in deze opvattingen, en delen zijn zelfs misleidend.

Bovendien is er nog een meer fundamenteel bezwaar: Deze benaderingen zijn onaanvaardbaar seksistisch. Zij veronderstellen dat er een ketterij heerste waarbij één van deze zaken waar moest zijn:

a) Paulus legt alle vrouwen het zwijgen op, hoewel alleen enkele vrouwen dwaalleer verkondigden,

b) Paulus is een chauvinist, want hij legt alleen de vrouwen het zwijgen op, terwijl ook mannen in dwalingen betrokken waren,

c) Paulus had gelijk, want alle vrouwen (en geen mannen) brachten dwalingen; dat lijkt wel heel onwaarschijnlijk. Waar zien we dat ooit in de kerkgeschiedenis?

Nee, de waarheid is dat de tekst geen vragen oproept over dwalingen, want als dat wel het geval was zou er een goede verklaring moeten zijn waarom Paulus vrouwen het zwijgen oplegt in plaats van dwaalleraars.

6          Nog een groep interpretaties probeert de moeite op te lossen door verzen 34-35, of een gedeelte ervan toe te schrijven aan de situatie van de Korintiërs, of wellicht zelfs een citaat van hun brief. Hoewel er veel varianten zijn is de centrale gedachte van deze benaderingen om tekstgedeelten die niet lijken te passen bij Paulus zijn overtuiging (zoals we elders duidelijk uitgelegd zien in deze brief) te beschouwen als de positie van de Korintiërs zelf, waar Paulus dus tegen ingaat. Als “de wet” (v.34) duidt op het OT, dan moeten we daar een tekst vinden die zegt dat vrouwen moeten zwijgen, maar (zo worden we verteld) die is er niet. Dan moet “wet” dus ergens anders op slaan. Een veel voorkomende opvatting is dat het hier gaat om “Torah” wat in de eerste plaats “onderwijs” betekent, maar gewoonweg gebruikt werd als aanduiding voor de Schrift en de uitgebreide Joodse tradities. Dan gaat het hier dus over de Joodse tradities, die de onverstandige Korintiërs overgenomen hebben. De verzen 34-35 geven dan een samenvatting van die leer. Paulus’ geschokte reactie kunnen we lezen in vers 36, en omdat het woordje “enkel u” (monous) mannelijk is, suggereert dat Paulus eigenlijk zegt, “Heeft het woord van God enkel u bereikt, mannen?” Verder is er beweerd dat het woord “Of…” beter vertaald wordt door “Wat?  (Heeft het woord van God dan enkel u bereikt, mannen?)”

Echter, ook hier zijn de argumenten niet zo overtuigend als ze op het eerste gezicht lijken.

1.Dat het woordje “slechts u” in het Grieks mannelijk is is irrelevant: mannelijke termen werden vaak gebruikt voor mensen in het algemeen. Daarom is het meer logisch om deze zin te zien als gericht aan de kerk, en dus niet alleen aan de mannen in de kerk.

2.Het is heel twijfelachtig dat deze verzen een citaat vormen, wellicht uit een brief van de Korintiërs. Het is pas in de laatste tien jaar dat verklaringen stellen dat Paulus de Korintiërs citeert, meestal op plaatsen waar de schrijver het oneens is met het geschrevene! Paulus citeert de Korintiërs hier en daar, maar waar dat gebeurt is dat vrijwel altijd duidelijk herkenbaar.

3.Verder gebruikt Paulus het woord “wet” op verschillende manieren, maar hij gebruikt het nooit als verwijzing naar de Joodse traditie. Paulus schrijft hier “de wet zegt” en Paulus gebruikt die uitdrukking nog twee keren in zijn brieven. Beide keren gaat het dan over de wet van Mozes, of specifiek het Oude Testament.

4.[Over het woordje “of” geeft Carson een uitgebreide verhandeling, maar uiteindelijk schrijft hij:] Alle geleerden maken fouten, bij mij is dat niet anders. Maar de enorme felheid die we zien rond de bespreking van dit woordje in de laatste jaren bevestigt dat we te maken hebben met een meer dan incidentele uitval van een exegetische verklaring. We hebben hier te maken met een ideologie die zo zeker van zichzelf is dat, in de handen van tenminste sommigen van hen, de tekst niet geoorloofd is voor zichzelf te spreken. Het feit is namelijk dat in elke NT-tekst waar dit woordje wordt gebruikt in een constructie zoals we het hier aantreffen, het effect is dat het de voorgaande waarheid altijd versterkt. Het gaat er bij Paulus dus hier om dat sommige Korintiërs willen “ontkennen of bestrijden” wat Paulus gezegd heeft in verzen 34-35. Daarom wil Paulus, zoals hij regelmatig doet, de kerk in Korinte erop wijzen dat terug moeten keren naar de praktijk en het perspectief van de andere kerken en een hartelijke onderwerping aan de apostolische autoriteit.

7          En dan is er ook nog een assortiment van interpretaties die min of meer op zichzelf staan.  [Carson gaat in het kort in op een aantal ervan.] Al deze interpretaties delen eenzelfde doorslaggevende zwakte. Paulus onderbreekt zijn betoog niet om opeens over andere zaken te spreken.

Een Interpretatie die beperkt wordt door de context

[Tenslotte komt Carson bij een interpretatie die door verschillende schrijvers uitgelegd is en die, volgens zijn uitgebreid onderzoek goed verdedigbaar is. Een gedetailleerde uitleg[3] bestaat al, dus Carson volstaat met een globaal overzicht.]

Paulus heeft net verzocht dat de Korintiërs voorzichtig zijn in het afwegen van de voorgestelde profetieën. Vrouwen mogen uiteraard ook meedoen in het profeteren; dat was in hoofdstuk 11 al vastgesteld. Hier gaat het Paulus echter om de regel dat zij niet mogen deelnemen in de mondelinge afweging van zulke profetieën. Dat was in geen van de kerken toegestaan. In dat verband mogen ze niet spreken— “zoals ook in de wet staat.” De laatste clausule slaat waarschijnlijk op de scheppingsorde in Genesis 2:20b-24, want dit is het Schriftgedeelte waar Paulus duidelijk naar verwijst in twee andere gevallen waar hij schrijft over de plaats van de vrouw (1Kor. 11:8,9; 2Tim.2: 13). Deze tekst legt de vrouw uiteraard niet het zwijgen op, maar het suggereert dat (omdat de man eerst geschapen was, en dat daarna de vrouw werd geschapen voor de man) er een soort patroon is vastgesteld aangaande de rollen die ze vervullen. Paulus begrijpt uit deze scheppinsvolgorde dat de vrouw onder de man staat, of tenminste een getrouwde vrouw tegenover haar man. In het verband met het Korintische afwegen van de profetieën kon deze positie van de vrouw niet gehandhaafd worden als de vrouw moest oordelen over de profetie van haar man.

Meer in het algemeen kunnen we duidelijke argumenten vinden voor de opvatting dat Paulus niet alleen getrouwde vrouwen maar alle vrouwen weigerde een kerkelijk-erkende autoriteit uit te oefenen over mannen (1Tim. 2:11 e.v.), en het voorzichtig afwegen van profetieën valt onder deze administratieve functie. Dit betekent niet dat vrouwen niet mogen leren: laat ze later thuis haar man maar vragen over de verschillende aspecten van de profetieën. Waarom zouden de Korintiërs tegen de praktijk van alle kerken (v.33b) en ook de Schrift zelf (v.36) ingaan? Zijn ze zo zelfingenomen met de openbaringen die ze ontvangen hebben dat ze daardoor durven in te gaan tegen de Schrift en de apostolische prediking? En als ze denken, door de Geest gedreven, slechts een interpretatie te bieden van die traditie, hebben ze er dan geen probleem mee als ze zien dat dezelfde teksten en hetzelfde evangelie vertaald wordt in nogal uiteenlopende kerkelijke praktijken? Zijn jullie de enigen die het woord van God bereikt heeft (verg. v.36b)?

Deze uitleg past niet alleen bij de lijn van het betoog van hoofdstuk 14, maar het past ook bij de opbouw van de tekst. Het gaat in dit hoofdstuk vooral over het spreken in tongen en het profeteren. Vanaf vers 26 gaat het duidelijk om praktische richtlijnen voor de orde van deze gaven in de eredienst. Vers 26 is tamelijk algemeen, terwijl verzen 27-28 gaan over praktische restricties voor de tongensprekers. In vers 29 begint Paulus over het profeteren, en dan zegt hij, “Laat van hen die profeteren er telkens twee of drie spreken; daarna moeten de anderen het beoordelen.”

De twee onderdelen van deze tekst worden daarna een voor een besproken: het eerste deel (“Laat van hen die profeteren er telkens twee of drie spreken”) wordt behandeld in verzen 30-33a, waar restricties worden gesteld op het uitspreken van de profetieën; het tweede deel (“daarna moeten de anderen het beoordelen.”) wordt behandeld in verzen 33b-36, waar restricties worden gesteld op de evaluatie van profetieën.

Wat is profeteren?

Het begrip “profetie” is in het NT een buitengewoon ruime categorie, die zich uitstrekt van de heidense Muse[4] (Titus 1:12) helemaal tot de OT canonieke profetie. In het dagelijkse kerkelijke leven werd het gezien als een door de Geest geïnspireerde uitspraak, waarbij er weliswaar geen garantie was dat elk detail goddelijke autoriteit had. Daarom was er niet alleen de noodzaak voor evaluatie (1Kor. 14:29) maar duidelijk ook ondergeschikt in zeggenschap aan de waarheid zoals die vertegenwoordigd werd in de Apostel Paulus (14:37-38). In zekere zin is het dan ook heel toepasselijk voor Paulus als hij zijn onderwijs stelt boven profetie, vooral als het onderwijs beschouwd wordt als onderdeel van de niet-bespreekbare apostolische onderwijs dat o.m. dient als toetssteen waarmee de gemeente in staat was om de gegeven niet-apostolische profetieën te beoordelen. Dit betekent uiteraard niet dat het onderwijs van een bepaalde leraar dan niet beoordeeld hoefden te worden. Het NT geeft inderdaad veel teksten die de de kerk aanmoedigen om verantwoordelijkheid te accepteren voor de evaluatie van leraren en hun onderwijs (1Tim. 1:3; 6:3-5; Titus 1:9-14; Hebr. 13:9; 2Petrus 2:1, enz.) Maar het betekent zeker dat profetie zo’n evaluatie niet kan ontvluchten, en het veronderstelt dat er een schriftelijk apostolisch onderwijs bestaat, wiens inhoud niet bespreekbaar is en dat kan dienen als toetssteen voor verder onderwijs en profetie.

Dit is trouwens niet het enige dat de Bijbel ons te zeggen heeft over de verhouding tussen mannen en vrouwen in de kerk. Ik heb bijvoorbeeld niets gezegd over het gebod voor mannen om hun vrouw lief te hebben zelfs zoals Christus de kerk liefheeft- een voortreffelijk hoge norm die gekenmerkt wordt door zelfopoffering. Ook heb ik niet de lijst gegeven van alle dingen die Paulus van Christelijke vrouwen verwacht. Bovenal heb ik geen ruimte gegeven aan het feit dat in een Griekse ekklesia, d.w.z. een openbare vergadering vrouwen helemaal niet mochten spreken. In tegenstelling werden vrouwen in de Christelijke ekklesia, gedragen door de Geest, aangemoedigd om dit wel te doen. In dat opzicht was Paulus niet gevangen in de sociale gewoontes en tradities van de Korintische cultuur. Volgens hem werden vrouwen door het evangelie echt bevrijd van bepaalde culturele beperkingen. Maar dat betekent niet dat daarmee alle rolverschillen worden opgeheven. Ik ben bereid om op bredere NT-basis te beweren dat dat de verschillen die blijven bestaan in de rollen volgens Paulus een essentieel onderdeel vormen van de scheppingsorde, in het spanningsveld van “nu al” en “nog niet helemaal” die er ligt tussen Pinksteren en de Wederkomst.

Tenslotte, als deze interpretatie de juiste is, en als we vast moeten houden aan enkele verschillen in de rollen van mannen en vrouwen, dan is het essentieel om te herkennen dat dit onderwijs bedoeld is als iets goeds en niet om ons weer slaven te maken.

 

 

[1] “Recovering Biblical Manhood and Womanhood: a response to Evangelical Feminism” (door Wayne Grudem en John Piper). D.A. Carson (hoofdstuk 6) “Silent in the Churches”, over de rol van vrouwen in 1 Korinte 14:33b-36.

[2] Gordon D. Fee, The First Epistle to the Corinthians (NICNT; Grand Rapids, MI: Eerdmans, 1987).

 

[3] M. E. Thrall, I and II Corinthians (Cambridge, England: Cambridge University Press, 1965).

She has been followed and expanded upon by James B. Hurley, Man and Woman in Biblical Perspective (Grand Rapids, MI: Zondervan, 1981), pp. 185-194; Grudem, The Gift of Prophecy in 1 Corinthians (Washington: University Press of America, 1982), pp. 245-255; cf. W. J. Dumbrell, “The Role of Women-A Reconsideration of the Biblical Evidence,” Interchange 21 (1977): 14-22.

 

[4] Een van hun eigen profeten, zelf een Kretenzer, heeft gezegd: ‘Kretenzers zijn onverbeterlijke leugenaars, gemene beesten, vadsige vreters.’