Denk je dat jij de uitzondering bent?

Aan veel van onze zonden ligt de aanname ten grondslag dat wij uitzonderlijk zijn.
Ik bedoel niet ‘uitzonderlijk’ in de betekenis van ‘hij is uitzonderlijk getalenteerd’ of ‘zij is uitzonderlijk goed in wiskunde’, maar in de betekenis van ‘wat geldt voor de meeste mensen geldt niet voor mij’.
Klinkt iets hiervan je bekend in de oren?
• Ik ben te laat en ik wil niet bekend staan als iemand die ongeorganiseerd is of onzorgvuldig; daarom maak ik voor mijzelf een uitzondering op de maximumsnelheid die ontworpen is voor de veiligheid voor iedereen (behalve als ik een politieauto zie).
• Hoewel ik de gulden regel weet (Mt.7:12) en dat we traag moeten zijn in het kwaad worden (Jak.1:19) en dat we vriendelijk moeten antwoorden, ben ik op dit moment boos en spreek daarom scherp (en maak mezelf dus tot uitzondering). Neem me niet kwalijk maar je moet begrijpen dat ik nu eenmaal zo ben (maar als jij scherp tegen mij spreekt, zal ik je dat zeker betaald zetten).
• Ik weet dat leden van een huiskring/miniwijk hun zonden voor elkaar horen te belijden om elkaar te wapenen in de strijd tegen de zonde en in nederigheid te wandelen, maar déze zonde is te beschamend om aan iemand te belijden en ik zal er een slechte indruk door maken. Ik maak mezelf dus tot uitzondering en doe in mijn eentje nog harder mijn best. Misschien belijd ik het wanneer ik erover kan praten als iets dat ik overwonnen hèb.
• Ik weet dat de wet zegt dat ik te jong ben om alcohol te drinken, maar ik ben volwassen genoeg en denk dat het een stomme regel is. Ik word heus niet dronken. Ik wil gewoon wat plezier maken met een paar vrienden. Ik maak mezelf hier dus tot de uitzondering.
• Ik weet dat de Bijbel zegt dat we niet van onze samenkomsten moeten wegblijven (Hebr.10:25), maar zondag is de enige dag dat ik lekker kan uitslapen en relaxen (t’is toch een rustdag, niet?). Ik krijg sowieso niet zoveel mee van het zingen en de preek. De kerken vroeger hadden ook geen Spotify and podcasts. Op de regel dat iederéén betrokken en actief lid moet zijn van het lichaam van Christus maak ik mezelf daarom tot uitzondering (1 Cor.12:27).
• Pornografie mag dan gevaarlijk verleidelijk voor sommige mensen zijn, het beeld dat ze van andere mensen hebben beschadigen, hun positie verwoesten, bijdragen aan seksslavernij en ik weet dat Jezus heeft gezegd dat begeerte zonde is (Mt.5:28), maar ik maak mezelf tot uitzondering op deze waarschuwingen omdat ik zulke dingen bij mijzelf niet laat gebeuren. Een keer meer kijken beïnvloedt de seksslavernij heus niet en Jezus vergeeft me wel zoals Hij altijd doet.
Zo kunnen we nog heel lang doorgaan, is het niet?
We zouden er boeken mee kunnen volschrijven en misschien zouden we dat ook moeten doen. Want ze opschrijven en erover lezen helpt om de uitzonderingen te benoemen als wat ze in feite zijn: staaltjes egoïstische hoogmoed.

Hoogmoed in onze vooronderstellingen

Achter iedere opzettelijke zonde, iedere bewuste daad van ongehoorzaamheid aan God, zit de vooronderstelling dat wat God, of aan wie hij gezag heeft gegeven (regering, leraar, werkgever, ouder) zegt, het beste is voor iederéén, maar dat het niet op óns van toepassing is.
Wij worden geboren met het besef dat wij voor onszelf de beste beoordelaars zijn van wat rechtvaardig is en dat wij de betrouwbaarste mensen zijn om liefde, eer en respect te omschrijven en toe te passen.
We zijn er gek op om onszelf zo voor de gek te houden.
Maar het is veel erger dan dat: het is ouderwetse, zondige, egoïstische hoogmoed.
Dat weten we omdat we het onmiddellijk herkennen bij ánderen, vooral als hun gedrag ons rechtstreeks raakt.
Wij houden er niet van als iemand veel te hard rijdt en ons de bocht afsnijdt in het verkeer, of arrogant tegen ons spreekt, of niet eerlijk tegen ons op de huiskring is.
We zijn ongelukkig als ons kind illegaal drinkt, iemand in onze kerk een ander negeert, of iemand die wij kennen pornografie kijkt.
Als ánderen zich zo gedragen, kunnen we meteen precies benoemen wat het is: egoïsme – dat is hoe hoogmoed zich gedraagt.
Ironisch niet, hoe we ons geraakt voelen door ándermans egoïsme en toch zwelgen in die van onszèlf?
Maar waarom lijkt ons eigen egoïsme niet zo erg?
Omdat hoogmoed de kijk op onszelf verdraait.
Als we onze eigen daden en motieven bekijken – tenzij we een meedogenloos karakter hebben – zullen we onszelf bekijken door de roze-gekleurde lenzen van bedrieglijke hoogmoed.


Snelle diagnostische scan

In deze vorm van hoogmoed raken we steeds weer verstrikt, (Hebr.12:1) méér dan we beseffen, omdat het om een algemeen zondige vooringenomenheid gaat.
Het opent de deur van ons hart voor onnoemlijk veel zonden doordat wij rationaliseren dat het óns niet echt beïnvloedt of óns niet veel schade toebrengt.
Maar ondertussen, net als met nog één sigaret, nog één stuk taart, of nog één door begeerte aangestuurde muisklik, wordt het gewicht weer iets zwaarder, sterft ons geestelijke gevoel weer iets verder af, wordt ons vermogen om lief te hebben weer iets kleiner en wordt onze tolerantie voor alles wat onze egoïstische wensen in de weg staat weer iets geringer.
Voordat we het in de gaten hebben belanden we in een geestelijke crisis en vragen ons af waarom dit gebeurt.
Als je een snelle diagnostische scan wilt doen, zijn hier een paar symptomen van buitengewoon grote hoogmoed:
• Een gebrek aan dankbaarheid (‘natuurlijk zou ik dat moeten krijgen’).
• Bitterheid (Ik zou niet te kampen hoeven hebben met vijandigheid, conflicten., lijden, pijn, teleurstelling of verdriet’)
• Jaloezie (‘Ik zou zo geëerd en bewonderd horen te worden’).
• Ongeduld (‘Ik zou niet de nare karaktertrekken of zonden van die persoon moeten hoeven verdragen)’
• Ergernis (‘Ik zou dit ongemak niet moeten hoeven verduren’)
• Hebzucht (‘Ik zou moeten hebben wat zij gekregen hebben’).
• Inschikkelijkheid (‘Ik zou in staat moeten zijn om te hebben waar ik naar snak’).

Werp het buitengewoon zware gewicht van je af

Als erfgenamen van de zonde pikken we al deze zondelasten op en moeten dus leren om ze zo snel als het kan af te werpen (Hebr.12:1).
We pikken ze op omdat ze eruit zien als sleutels naar vrijheid van zelf bepaalde autonomie.
Maar ze eindigen als zware gewichten van egoïstische genotzucht dat de ware vreugde die meekomt als we geven aan ánderen opdroogt (Hnd. 20:35), ánderen dienen (Mk. 10:43–45), ánderen eren (Rom.12:10), en ánderen liefhebben als onszelf (Mt.22:39).
Jezus is gekomen om ons te bevrijden van buitengewone hoogmoed zodat wij kunnen leven in de glorieuze, nederige en rijke vrijheid van kinderen van God (Rom.8:21).
We beginnen deze hoogmoed af te leggen als we haar eerlijk tegenover God belijden en berouw hebben over de uitingen ervan die we zien en de heilige Geest vragen om ons te binnen te brengen wat wij niet zien.
Hoe meer we huiveren om zo’n gebed te bidden hoe meer we het nodig hebben om het te bidden.
Maar daar stoppen we niet.
God heeft al voor hulp gezorgd in de vorm van onze geestelijke broers en zussen in onze kerk.
Aangezien onze hoogmoed de kijk op onszelf verduistert hebben we hun heldere waarnemingen nodig als spiegels om ons te helpen onze blinde vlekken te zien.
Vaak zullen ze aarzelen om het je vrijwillig te vertellen, daarom moeten wij het ze nederig vragen en het zo doen dat zij zich veilig voelen om te antwoorden.
Wij zijn geen uitzonderingen.
Maar dat is heel goed nieuws want dat soort uitzonderingen leidt alleen maar tot de slechtziende ellende van de egoïstische genotzoeker.
Zij die bevrijd zijn van de last dat ze van zichzelf denken dat ze boven de wet van de liefde staan, of de wetten van het land, realiseren zich dat ze niets verdienen dan toorn en vinden in Christus alle genade die ze nodig hebben.
Dat maakt ieder goed een geschenk en iedere last licht.
Ze vinden de wijd open staande deur naar het groeiende, wonderbaarlijke, vreugdevolle leven in nederigheid
En daar ontdekken ze waarom Jezus de zachtmoedigen gelukkig prijst (Mt.5:5).